AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

7        INLEIDING DEEL II

 

702   Het BW van 1992

 

In het BW van 1992 heeft de wetgever de lijn van het Lin­denbaum/Cohen-arrest gevolgd en redactioneel aangepast. Met deze structuur lijkt de Nederlandse onrechtmatige daad-regel niet meer op Franse maar op Duitse leest te zijn geschoeid. Dat is echter meer schijn dan werkelijkheid.

 

De echo van het Lindenbaum/Cohen-arrest klinkt in het huidige BW duidelijk na. De wetgever nam de structuur van de onrechtmatige daad, zoals die sinds dat arrest bestaat, namelijk in grote lijnen over in art. 6:162. Dat wekt enige verbazing, omdat aan de structuur kritische beschouwingen zijn gewijd, bijvoorbeeld door Wolfsbergen: 'Op de grondslag van de in 1919 aanvaarde formule heeft de rechtspraak een gebouw opge­trokken, dat zich ver boven de simpele formule verheft, zozeer, dat het fundament wel eens uit het oog is verloren; en in elk geval is de strenge lijn te zeer opgeofferd aan diverse kronkels, welke zelfs als verbeteringen zijn aangebracht.'[9]

 

De enige serieuze wijziging die het huidige BW ten opzichte van het oude BW bevat, is de vervanging van het schuldbegrip door het toerekeningsvereiste (lid 3). In plaats van onrechtmatigheid en schuld zijn nu dus onrechtmatigheid en toerekening vereist voor de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Toerekening kan niet alleen plaatsvinden op grond van schuld maar ook op grond van de wet en de verkeersopvattingen. Veel prak­tisch verschil maakt dat overigens niet, daar de Hoge Raad reeds onder het oude recht de elasticiteit van het schuldvereiste verregaand op de proef stelde (nr. 918-919).

 

Bij de onrechtmatigheid legde de categorie 'strijd met de goede zeden' het loodje. Oorspronkelijk was deze categorie bedoeld om de aansprakelijkheid op grond van on­behoorlijk gedrag in het economisch verkeer te regelen maar de praktijk heeft van deze mogelijkheid, mede door de populariteit van de categorie strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid, nauwelijks gebruik gemaakt.[10]

 

De laatstgenoemde categorie onderging een redactionele restauratie, omdat de wetgever vond dat de term zorgvuldigheid '... hoewel juist voor de gevallen waarin aan de dader onvoorzichtigheid met betrekking tot eens anders persoon of goed wordt verweten, minder passend is voor de gevallen waarin op onbehoorlijke wijze eens anders belangen zijn aangetast.'[11]

 

Deze redenering overtuigt niet, omdat zij zonder problemen kan worden omgekeerd: de term onbetamelijkheid, hoewel juist voor gevallen van onbehoorlijke belangenaan­tasting, lijkt minder passend voor gevallen waarin iemand onvoorzichtig handelt met betrekking tot eens anders persoon of goed. Daarom kan het ingeburgerde begrip maat­schappelijke zorgvuldigheid ook onder het huidige recht de boventoon blijven voeren. Ook Hartkamp meent '... dat het geen bezwaar ontmoet de uitdrukking "strijd met de zorgvuldigheid" als synoniem van het thans in art. 162 neergelegde derde criterium kortheidshalve te blijven gebruiken'.[12]

 

Over de structuur van art. 6:162 lid 2 hebben de ontwerpers opgemerkt, dat deze aansloot bij de in het buitenland gangbare indeling.[13] Deze bewering laat zich echter moeilijk verenigen met hetgeen in Deel I naar voren is gebracht. Goed beschouwd lijkt art. 6:162 lid 2 internationaal nergens op. Hooguit kan de regel worden gezien als een oppervlakkige kopie van de Duitse § 823-826 BGB. De drie Duitse ‘Grundtatbestände’ (rechtsinbreuk, schending van een wettelijke plicht en handelen in strijd met de goede zeden) vormen echter steeds een noodzakelijk vereiste voor aansprakelijkheid. Aanspra­kelijkheid die louter is gebaseerd op onzorgvuldig handelen is in Duitsland niet mogelijk. Waar de Duitse discussie over de rechtsinbreuk en de schending van een wettelijke plicht dus een serieuze aangelegenheid is (nr. 406-407), is deze in Nederland nauwelijks meer dan ‘Spielerei’ (nr. 832-838).

 

Hoe dit ook zij, de Nederlandse onrechtmatige daad-structuur heeft zich vanuit de Franse negentiende eeuwse bron in de loop van de twintigste eeuw in letterlijke zin ge­oriënteerd: op het oosten gericht. Die ontwikkeling komt tot uitdrukking in het feit dat art. 6:162 een Duitse structuur met een Franse inhoud vormt en daarmee een compromis tussen beide systemen vormt. Het past in de Nederlandse cultuur om een dergelijk com­promis als een eigen identiteit aan te duiden. Daar is geen bezwaar tegen, al is het wel een wat diffuse identiteit.

 

9. Wolfsbergen, Onrechtmatige daad (1946), p. 51. Zie ook P. Zonderland, De wettelijke rubricering van onrechtmatige daden, WPNR 5122-5123 (1971), p. 131-134 en 143-147.

10. Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 615; Onrechtmatige daad, art. 162 lid 2 (Jansen), aant. 1.

11. Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 616.

12. Asser-Hartkamp III (1998), nr 43.

13. Parl. Gesch. Boek 6, p. 614.

 

Naar boven    Inhoud      Home