AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

7        INLEIDING DEEL II

 

701   Het BW van 1838 en Lindenbaum/Cohen

 

Het aan art. 1382 Code civil ont­leende art. 1401 (oud) BW eiste voor aansprakelijkheid niet alleen schuld maar ook 'onregtmatigheid'. Dit laatste vereiste speelde rond 1900 een belangrijke rol in het beperken van de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Vanaf het beroemde Lindenbaum/Cohen-arrest uit 1919 keerde het tij echter.

 

Het Burgerlijk Wetboek van 1838 kende in art. 1401 een algemene regel voor de persoonlijke aansprakelijkheid. Deze regel was grotendeels een vertaling van art. 1382 CC. Een verschil met het Franse artikel vormde de toevoeging van het woord `onregtmatige'. De wetgever had hier een speciale bedoeling mee: 'Men heeft dit woord met opzet gebe­zigd, om te doen ophouden de menigvuldige twistgedingen, welke art. 1382 van het Franse wetboek ("Tout fait quelconque de l'homme," enz.) heeft opgeleverd, daar het van zelf spreekt, dat elke daad die schade veroorzaakt, geenen grond tot schadevergoe­ding oplevert; maar dat de onregtmatigheid der daad, daartoe alleen kan aanleiding geven.'[1]

 

Van Maanen heeft duidelijk gemaakt dat de wetgever met het begrip `onregtmatige' slechts wilde bereiken, dat niet iedere daad die aan iemands schuld te wijten was tot schadevergoeding kon leiden maar alleen daden waartoe men niet bevoegd was.[2] Deze uitleg stemt overeen met wat de Hoge Raad in het Lindenbaum/Cohen-arrest overwoog: '... dat immers het woord onrechtmatig niet gelijkwaardig is met strijdig tegen een wetsbepaling, en blijkens de geschiedenis de uitdrukking `tout fait quelconque de l'homme' alleen vervangen is door onrechtmatige daad, om uitdrukkelijk buiten te sluiten de daad van hem, die behoudens nalatigheid of onvoorzichtigheid, handelt krachtens eigen recht.'[3]

 

Terwijl in de vorige eeuw schuld het centrale begrip was en ook art. 1402 BW een rol van betekenis speelde, heeft de aandacht zich in de tweede helft van die eeuw geconcentreerd op het onrechtmatigheidsbegrip en op art. 1401 BW. In de decennia rond de eeuwwisseling accepteerde de Hoge Raad slechts twee categorieën onrechtmatige daden, namelijk de schending van een wettelijke plicht en de rechtsinbreuk. Dit leidde in die periode tot grote terughoudendheid in het aannemen van aansprakelijkheid, met name indien het ging om schade in het economisch verkeer en om schade door nalaten.[4] Het meest berucht werd in dit verband het arrest van de Zutphense juffrouw.[5]

 

Met deze enge opvatting brak de cassatierechter in 1919 toen hij in het Lindenbaum/Cohen-arrest de onrechtmatige daad formuleerde als '... een handelen of nalaten, dat òf inbreuk maakt op eens anders recht, òf in strijd is met des daders rechtsplicht òf indruischt, hetzij tegen de goede zeden, hetzij tegen de zorgvuldigheid, welke in het maatschappelijk verkeer betaamt ten aanzien van eens anders persoon of goed, terwijl hij door wiens schuld tengevolge dier daad aan een ander schade wordt toegebracht, tot vergoeding daarvan is verplicht.'[6]

 

Deze formulering ontleende de Hoge Raad aan het wetsontwerp-Heemskerk uit 1913, waarmee de toenmalige regering het verstarde onrechtmatige daad-recht beoogde te hervormen. Het ontwerp verkreeg weliswaar nooit kracht van wet maar werd dankzij de Hoge Raad in 1919 toch geldend recht.[7] De cassatierechter kende blijkbaar toen al zijn taak als wetgever-plaatsvervanger.[8]

 

1. J.C. Voorduin, Geschiedenis en beginselen der Nederlandsche wetboeken, deel V, Burgerlijk Wetboek (1838), p. 82.

2. Van Maanen, Onrechtmatige daad (1986), p. 33 e.v.

3. HR 31 januari 1919 (Lindenbaum/Cohen), NJ 1919, 161, nt. EMM; W. 10365, nt. Molen­graaff.

4. Van Maanen, Onrechtmatige daad (1986), p. 37-38.

5. HR 10 juni 1910 (Zutphense juffrouw), W. 9038, waarover nr. 1220.

6. HR 31 januari 1919 (Lindenbaum/Cohen), NJ 1919, 161 nt. EMM; W. 10365, nt. Molen­graaff.

7. Asser-Hartkamp III (1998), nr 31-32; Van Maanen, Onrechtmatige daad (1986), p. 146 e.v.

8. De uitvinding van deze term wordt toegeschreven aan M.J.P. Verburgh, Stellingen voor het Wiarda-symposium, NJB 1977, p. 508.

 

Naar boven    Inhoud      Home