________________________________________
Het aan art. 1382 Code civil ontleende art.
1401 (oud) BW eiste voor aansprakelijkheid niet alleen schuld maar ook
'onregtmatigheid'. Dit laatste vereiste speelde rond 1900 een belangrijke rol
in het beperken van de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Vanaf het beroemde
Lindenbaum/Cohen-arrest uit 1919 keerde het tij echter.
Het
Burgerlijk Wetboek van 1838 kende in art. 1401 een algemene regel voor de
persoonlijke aansprakelijkheid. Deze regel was grotendeels een vertaling van
art. 1382 CC. Een verschil met het Franse artikel vormde de toevoeging van het
woord `onregtmatige'. De wetgever had hier een speciale bedoeling mee: 'Men
heeft dit woord met opzet gebezigd, om te doen ophouden de menigvuldige
twistgedingen, welke art. 1382 van het Franse wetboek ("Tout fait quelconque
de l'homme," enz.) heeft opgeleverd, daar het van zelf spreekt, dat elke
daad die schade veroorzaakt, geenen grond tot schadevergoeding oplevert; maar
dat de onregtmatigheid der daad, daartoe alleen kan aanleiding
geven.'[1]
Van
Maanen heeft duidelijk gemaakt dat de wetgever met het begrip `onregtmatige'
slechts wilde bereiken, dat niet iedere daad die aan iemands schuld te wijten
was tot schadevergoeding kon leiden maar alleen daden waartoe men niet bevoegd
was.[2] Deze uitleg stemt overeen met wat de Hoge Raad in het
Lindenbaum/Cohen-arrest overwoog: '... dat immers het woord onrechtmatig niet
gelijkwaardig is met strijdig tegen een wetsbepaling, en blijkens de
geschiedenis de uitdrukking `tout fait quelconque de l'homme' alleen vervangen
is door onrechtmatige daad, om uitdrukkelijk buiten te sluiten de daad van hem,
die behoudens nalatigheid of onvoorzichtigheid, handelt krachtens eigen
recht.'[3]
Terwijl
in de vorige eeuw schuld het centrale begrip was en ook art. 1402 BW een rol
van betekenis speelde, heeft de aandacht zich in de tweede helft van die eeuw
geconcentreerd op het onrechtmatigheidsbegrip en op art. 1401 BW. In de
decennia rond de eeuwwisseling accepteerde de Hoge Raad slechts twee
categorieën onrechtmatige daden, namelijk de schending van een wettelijke
plicht en de rechtsinbreuk. Dit leidde in die periode tot grote
terughoudendheid in het aannemen van aansprakelijkheid, met name indien het
ging om schade in het economisch verkeer en om schade door nalaten.[4] Het meest
berucht werd in dit verband het arrest van de Zutphense juffrouw.[5]
Met
deze enge opvatting brak de cassatierechter in 1919 toen hij in het
Lindenbaum/Cohen-arrest de onrechtmatige daad formuleerde als '... een handelen
of nalaten, dat òf inbreuk maakt op eens anders recht, òf in strijd is met des
daders rechtsplicht òf indruischt, hetzij tegen de goede zeden, hetzij tegen de
zorgvuldigheid, welke in het maatschappelijk verkeer betaamt ten aanzien van
eens anders persoon of goed, terwijl hij door wiens schuld tengevolge dier daad
aan een ander schade wordt toegebracht, tot vergoeding daarvan is
verplicht.'[6]
Deze
formulering ontleende de Hoge Raad aan het wetsontwerp-Heemskerk uit 1913, waarmee
de toenmalige regering het verstarde onrechtmatige daad-recht beoogde te
hervormen. Het ontwerp verkreeg weliswaar nooit kracht van wet maar werd
dankzij de Hoge Raad in 1919 toch geldend recht.[7] De cassatierechter kende
blijkbaar toen al zijn taak als wetgever-plaatsvervanger.[8]
1. J.C. Voorduin, Geschiedenis en beginselen
der Nederlandsche wetboeken, deel V, Burgerlijk Wetboek (1838), p. 82.
2. Van Maanen, Onrechtmatige daad (1986), p.
33 e.v.
3. HR 31 januari 1919 (Lindenbaum/Cohen), NJ
1919, 161, nt. EMM; W. 10365, nt. Molengraaff.
4. Van Maanen, Onrechtmatige daad (1986), p.
37-38.
5. HR 10 juni 1910 (Zutphense juffrouw), W.
9038, waarover nr. 1220.
6. HR 31 januari 1919 (Lindenbaum/Cohen), NJ
1919, 161 nt. EMM; W. 10365, nt. Molengraaff.
7. Asser-Hartkamp III (1998), nr 31-32; Van
Maanen, Onrechtmatige daad (1986), p. 146 e.v.
8. De uitvinding van deze term wordt
toegeschreven aan M.J.P. Verburgh, Stellingen voor het Wiarda-symposium, NJB
1977, p. 508.