________________________________________
6 EUROPA
6.2 Europees
recht
608 Mensenrechten
Het aansprakelijkheidsrecht wordt op Europees
niveau niet alleen beinvloed door het Europese Hof van Justitie in Luxemburg
maar ook door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. Ter
illustratie van deze invloed wordt ingegaan op een uitspraak waarin het Hof
aansprakelijkheidsimmuniteit van de politie in opsporingskwesties als een
schending van art. 6 EVRM bestempelt.
In de zaak Osman v. Verenigd Koninkrijk
besliste het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat er sprake is van
schending van art. 6 EVRM indien (in casu) de politie feitelijk immuun is
voor aansprakelijkheid: EHRM 28
oktober 1998, zaak 87/1997 (Osman v. Verenigd Koninkrijk).[41] Het
ging om een leraar, Paget-Lewis, die zich te zeer hechtte aan zijn 14-jarige
leerling Ahmet Osman. Dit contact liep uit de hand toen Paget-Lewis een vriend
van Ahmet ging belasteren en bedreigen en Ahmet meedeelde dat hij hem zou
weten te vinden als hij naar een andere school zou gaan. Naar aanleiding daarvan
werden eind 1987 de politie en de onderwijsinspectie ingeschakeld. In die
periode werd er een steen door het raam van de familie Osman gegooid en werden
de banden van de auto van de familie Osman kapot gestoken. De politie helderde
deze zaken niet op. Ook nadat Paget-Lewis door de school was geschorst, vonden
dergelijke gebeurtenissen plaats; de politie besloot toen om Paget-Lewis aan
te houden maar hij bleek onvindbaar. In maart 1988 kwam hij boven water en
beschoot hij de familie Osman waarbij vader Ali Osman om het leven kwam en
Ahmet en zijn moeder ernstig gewond raakten.
Ahmet
en zijn moeder stelden de politie aansprakelijk voor de door hen geleden schade.
Het kernpunt daarbij was, dat de politie nalatig zou zijn geweest en, hoewel
zij op de hoogte was van de stand van zaken, onvoldoende zou hebben gedaan om
Paget-Lewis van zijn daden te weerhouden. Voor aansprakelijkheid van de politie
vormde de Hill-case in het Engelse recht een belangrijk precedent. Het ging in
die zaak om een 20-jarige studente, die werd vermoord door ene Sutcliffe, die
bekend stond als de Yorkshire Ripper. Hij had al een groot aantal van
dergelijke misdrijven in dat gebied gepleegd. De nabestaanden van de studente
stelden de politie aansprakelijk op grond van ‘negligence’, omdat zij er niet
in was geslaagd om Sutcliffe tijdig op te sporen. De House of Lords wees de
claim op twee gronden af. In de eerste plaats was er geen sprake van een
‘special relationship’, noch tussen de politie en potentiële slachtoffers, noch
tussen de politie en de dader (nr. 508). Ten tweede oordeelde de House of Lords
dat het om redenen van ‘public policy’ niet 'fair, just and reasonable' zou
zijn om de politie met betrekking tot de opsporing van strafbare feiten te
belasten met een ‘duty of care’.[42]
In
de Osman-zaak besliste de Court of Appeal dat het gezin, naar de politie wist,
aan een veel groter risico blootstond dan ‘the general public’. Om die reden
werd aangenomen dat er hier wel sprake was van een ‘special relationship’ en dus
in beginsel van een ‘duty of care’ van de politie jegens de familie Osman. De
claim werd echter afgewezen met een verwijzing naar de beslissing van de House
of Lords in de Hill-case: 'The House of Lords decision on public policy (...)
dooms this action to failure.'[43] De Osmans wendden zich vervolgens tot het
Europees Hof voor de Rechten van de Mens en beriepen zich op de schending van
onder andere de art. 2, 6 en 8 EVRM.
Met
betrekking tot art. 2 overwoog het Hof dat de Staat een positieve verplichting
heeft om preventieve maatregelen te nemen om het leven van burgers die door
derden worden bedreigd te beschermen. Aan deze verplichting heeft de Staat niet
voldaan indien '... the authorities knew or ought to have known at the time of
the existence of a real and immediate risk to the life of an identified
individual or individuals from the criminal acts of a third party and that
they failed to take measures within the scope of their powers which, judged
reasonably, might have been expected to avoid that risk.' (ov. 121). Een schending van het aldus
uitgelegde art. 2 EVRM achtte het Hof hier echter niet aanwezig, omdat
onvoldoende was komen vast te staan op welk moment de politie wist of had
moeten weten dat de levensbedreiging van de leden van de familie Osman door
Paget-Lewis ‘a real and immediate risk’ vormden (in dit opzicht was het Hof dus
voorzichtiger dan de Engelse Court of Appeal). In het verlengde hiervan werd
een schending van art. 8 EVRM evenmin aanwezig geacht.
Ten
aanzien van de schending van art. 6 EVRM (recht op een eerlijk proces)
overwoog het Hof dat het recht op toegang tot de rechter aan beperkingen mag
worden onderworpen. De Engelse beslissing in de Hill-case was echter niet
meer proportioneel, omdat zij fungeerde als een '... watertight defence to the
police and it was impossible to prise open an immunity which the police enjoy
from civil suit in respect of their acts and omissions in the investigation and
suppression of crime. The Court would observe that the application of the rule
in this manner without further enquiry into the existence of competing public
interest considerations only serves to confer a blanket immunity on the police
for their acts and omissions during the investigation and suppression of crime
and amounts to an unjustifiable restriction on an applicants' right to have a
determination on the merits of his or her claim against the police in deserving
cases.' (ov. 150-151).
Het
Hof besliste dus dat de inhoudelijke plicht van de Staat om burgers te
beschermen niet geschonden was maar dat de Engelse immuniteit van de politie te
ver ging. Een dergelijke immuniteit verhindert een eerlijk proces: de klager
kan zijn klacht niet door een onafhankelijke rechter laten beoordelen en de
politie kan niet ter verantwoording worden geroepen, c.q. geen
verantwoording afleggen van haar gedrag. Markesinis en Deakin
merken over het arrest van het Europese Hof op: '... it gives a serious and,
arguably, well-deserved blow to the use of the notion of duty of care as a
device for stopping all claims of damages directed against public bodies in
general (and not just the police) irrespective of any countervailing arguments
that may exist in favour of the plaintiff's position.'[44]
De
overheid kan dus op grond van het EVRM niet immuun zijn voor aansprakelijkheid
jegens burgers. A fortiori dient dan ook in horizontale verhoudingen te gelden
dat particuliere rechtssubjecten niet immuun zijn voor aansprakelijkheid jegens
anderen.[45] Daaruit volgt dat rechtssubjecten zich ten opzichte van anderen in
beginsel minimaal zorgvuldig behoren te gedragen. Jegens wie deze
zorgvuldigheidsnorm geldt en hoe die norm moet worden vormgegeven wordt in
Hoofdstuk 7-9 behandeld. In Hoofdstuk 11 komt de vraag aan de orde wanneer er
op personen geen zorgplicht rust; beperkingen te dien aanzien gelden in het
bijzonder bij de aansprakelijkheid voor nalaten.
41. EHRM 28 oktober 1998 (Osman v. United Kingdom), zaak 87/1997, NJ 2000, 134, nt. EAA, NJCM-Bulletin 1999,
512. Zie ook Tony Weir, Down Hill - All the Way?, CamLJ (1999), p. 4-7.
42. Hill v. Chief Constable of West Yorkshire (1989) AC 53.
43. Osman v. Ferguson ((1993) 4 All ER 344.
44. Markesinins and Deakin, Tort law (1999), p. 148.
45. Zie ook de in nr. 202 aangehaalde
uitspraak van de Franse Conseil constitutionnel, waarin
aansprakelijkheidsimmuniteit van een vakbond in strijd met de grondwet werd
geacht.