AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT
- C.C. van Dam
________________________________________
6 EUROPA
6.2 Europees
recht
607 Francovich-jurisprudentie:
voorwaarden
Voor aansprakelijkheid van een lidstaat gelden
drie vereisten: de geschonden gemeenschapsregel moet ertoe strekken aan
particulieren rechten toe te kennen, er moet sprake zijn van een
gekwalificeerde schending van deze gemeenschapsregel en er moet een direct
causaal verband bestaan tussen deze schending en de door de particulieren geleden
schade.
In
het Brasserie du Pêcheur-arrest sloot het Hof expliciet aan bij zijn
jurisprudentie inzake art. 288 (215 oud) EG, waarin de buiten-contractuele
aansprakelijkheid van de Gemeenschap is geregeld (ov. 29 en 53). In die
bepaling wordt voor de aansprakelijkheidsvoorwaarden verwezen naar de
algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben.[25]
In zijn jurisprudentie gaat het Hof uit van een drietal voorwaarden.[26] Deze
voorwaarden zijn voldoende voor het ontstaan van een recht op schadevergoeding,
dat zijn grondslag rechtstreeks vindt in het gemeenschapsrecht.[27]
In
de eerste plaats is vereist dat de geschonden regel ertoe moet strekken aan
particulieren rechten toe te kennen. Voor een niet tijdig geïmplementeerde
richtlijn betekent dit dat het door de richtlijn voorgeschreven resultaat een
toekenning van rechten aan particulieren moet inhouden.[28] Dit kan allereerst
in verband worden gebracht met het vereiste bij de Engelse ‘breach of
statutory duty’, dat de wetgever de bedoeling moet hebben gehad met de
wettelijke bepaling een ‘civil right of action’ te creëren (nr. 516). Nauw
hiermee verbonden is de (vervolg)vraag of de geschonden norm strekt tot
bescherming van de rechten van particulieren (nr. 606).
Het
tweede vereiste is dat er sprake moet zijn van wat kan worden genoemd een fout,
‘a sufficiently serious breach of Community law’, in Nederlandse eurotaal aangeduid
als een voldoende gekwalificeerde schending van de gemeenschapsregel. Dit is
'... de kennelijke en ernstige miskenning, door een Lid-Staat zo goed als door
een gemeenschapsinstelling, van de grenzen waarbinnen diens discretionaire
bevoegdheid dient te blijven.'[29] Voor het beantwoorden van de vraag of er
sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending zijn met name van belang
'... de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden regel, de
omvang van de beoordelingsmarge die de geschonden regel de nationale of
gemeenschapsinstanties laat, de vraag of al dan niet opzettelijk een
schending is begaan of schade is veroorzaakt, de vraag of een eventuele
rechtsdwaling al dan niet verschoonbaar is, de omstandigheid dat de handelwijze
van een gemeenschapsinstelling heeft kunnen bijdragen tot het verzuim, de
vaststelling of instandhouding van met het gemeenschapsrecht strijdige
nationale maatregelen of praktijken.'[30] Dat er sprake moet zijn van een
voldoende gekwalificeerde schending en dat dus de enkele schending niet
volstaat, vindt zijn verklaring volledig hierin dat de rechter terughoudend
moet zijn indien de overheid normatief is opgetreden in een materie waarin zij
beschikte over een ruime beoordelingsmarge.[31]
In
deze lijst van factoren die een rol spelen bij het vaststellen van een
gekwalificeerde schending zijn diverse elementen uit het foutvereiste
herkenbaar. Bij de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden
regel kan worden gedacht aan de concretiseringsproblematiek bij abstracte
wettelijke normen (nr. 828). Hiermee hangt de vraag samen in hoeverre de norm
aan de lidstaat een eigen beoordelingsmarge geeft. Een voorbeeld waarin dit
niet het geval is, is het niet tijdig implementeren van een richtlijn. De
overschrijding van een daartoe gestelde termijn levert automatisch een voldoende
gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht op, zoals blijkt uit
Francovich en Dillenkofer.[32] Dit is ook het geval indien een schending van
het gemeenschapsrecht '... is blijven verder bestaan in weerwil van de
uitspraak van een arrest houdende vaststelling van de verweten niet-nakoming,
van een prejudiciële beslissing of van vaste rechtspraak van het Hof terzake,
waaruit blijkt dat de betrokken gedraging de kenmerken van een schending
vertoont'.[33] Hetzelfde geldt indien '... de betrokken lidstaat op het moment
van de inbreuk niet voor normatieve keuzes stond en slechts een zeer beperkte
of in het geheel geen beoordelingsmarge had'.[34]
In
andere gevallen is het vaststellen van een voldoende gekwalificeerde schending
minder eenvoudig en dient een nadere afweging plaats te vinden. Dat geldt met
name indien de nationale wetgever een ruime beoordelingsmarge heeft, zoals
bij de vraag of een richtlijn op juiste wijze is geïmplementeerd.[35] Er is bij
de aard van de schending in feite sprake van een glijdende schaal, die varieert
van geen tot vrijwel volledige discretionaire bevoegdheid.[36]
Als
derde eis geldt dat er sprake moet zijn van een direct causaal verband tussen
de schending van het gemeenschapsrecht en de door de particulier geleden
schade. Voor wat betreft dit laatste geldt, dat ‘economic loss’ binnen het
communautaire aansprakelijkheidsrecht principieel voor vergoeding in
aanmerking komt.[37]
In
Dillenkofer bepaalde het Hof, dat de aansprakelijkheid niet afhankelijk is '...
van het bestaan van schuld (opzet of onzorgvuldigheid) bij het overheidsorgaan
waaraan de schending is toe te rekenen' (ov. 28). Dit laat onverlet dat bij het
vaststellen van de gekwalificeerde schending ook schuld-elementen (kennen en
kunnen) een rol spelen, zoals de rechtsdwaling.[38] Dit is een vraag naar de
kenbaarheid van het recht, die in Nederland bij de overheidsaansprakelijkheid
voor vernietigde regelgeving en beschikkingen niet meer van belang is (nr.
918).
Deze
laatste kwestie kwam in 1998 aan de orde in het Brinkmann-arrest. Hierin ging
het om het door Denemarken niet implementeren van een EG-richtlijn. Dit leverde
in beginsel een voldoende gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht
op. In casu besliste het Hof echter dat communautaire aansprakelijkheid van
Denemarken op twee los van elkaar staande gronden ontbrak. In de eerste plaats
hadden de Deense autoriteiten de bepalingen van de richtlijn wel onmiddellijk
toegepast; daarom ontbrak volgens het Hof het vereiste directe causale verband
tussen de schade en de schending van het gemeenschapsrecht.[39] Ten tweede
besliste het Hof, dat geen sprake was van een voldoende gekwalificeerde
schending van het gemeenschapsrecht, omdat zich hier een geval van verschoonbare
rechtsdwaling voordeed. Het ging namelijk om een bepaling die op goed verdedigbare
gronden verschillend kon worden uitgelegd. Dit betekent dat de beslissing van
het Hof op dit punt uiteindelijk kan worden teruggevoerd op de in casu aanwezige
vrije beoordelingsmarge van de lidstaat: HvJ
24 september 1998, zaak C-319/96 (Brinkmann Tabakfabriken GmbH/Skatte-ministeriet).[40]
Aldus heeft het Hof van Justitie in de jaren negentig een begin
gemaakt met de uitwerking van een communautair aansprakelijkheidsrecht. De
vereisten daarvoor worden door het Hof vanuit het instrumentarium van de
foutaansprakelijkheid (de algemene beginselen die aan het
aansprakelijkheidsrecht van de lidstaten ten grondslag liggen) stap voor stap
vormgegeven.
25. Brasserie du Pêcheur, ov. 42. Zie in het kader van art. 288 (art. 215 oud)
EG: HvJ
25 mei 1978 (HNL e.a.), gevoegde zaken 83/76, 94/76, 4/77, 15/77 en 40/77, Jur. 1978, p. 1209.
26. Zie met name HvJ 8 oktober 1996 (Dillenkofer),
gevoegde zaken C-178/94, C-179/94, C-188/94, C-189/94 en C-190/94, Jur. 1996,
p. I-4845, NJ 1997, 493, ov. 21.
27. Francovich, ov. 41; Brasserie du Pêcheur, ov. 51
en Dillenkofer, ov. 27: '... zonder dat andere voorwaarden in aanmerking mogen
worden genomen'.
28. Brasserie du Pêcheur, ov. 50-51; Dillenkofer, ov. 23, 26, 41 en 42. Ziie ook HvJ
14 juli 1994, zaak C-91/92 (Dori), Jur. 1994, p. I-3325, NJ 1995, 321, ov. 25:
consumenten kunnen zich voor de nationale rechter jegens handelaren niet
beroepen op een niet tijdig omgezette richtlijn.
29. Brasserie du Pêcheur, ov. 55.
30. Brasserie du Pêcheur, ov. 56.
31. Brasserie du Pêcheur, ov. 43-47.
32. Van Gerven, The ECJ Case-law as a Means of Unification of Private
Law? (1998), p.
97, ziet dit als een vorm van ‘strict liability’. Aldus ook Betlem, NTBR 1997,
p. 113.
33. Brasserie du Pêcheur, ov. 57.
34. HvJ 23 mei 1996, zaak C-5/94, Jur.
1996, p. I-2553, NJ 1997, 228 (Hedley Lomas), ov. 28..
35. Zie bijvoorbeeld HvJ 26 maart 1996,
zaak C-392/93 Jur. 1996, p. I-1631, NJ 1997, 146 (British Telecom) en 17
oktober 1996, gevoegde zaken C-283/94, C-291/94 en C-292/94, Jur., p. I-5063
(Denkavit).
36. Van Gerven, ICLQ 45 (1996), p. 521.
37. Van Gerven, ICLQ 45 (1996), p.
522-523.
38. Brasserie du Pêcheur, ov. 56, 78 en 79.
39. HvJ 24 september 1998, zaak
C-319/96, n.n.g. (Brinkmann Tabakfabriken GmbH/Skatteministeriet), ov. 29.
40. Brinkmann, ov. 32.