AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT
- C.C. van Dam
________________________________________
5 ENGELAND
5.4 Toerekeningsvatbaarheid
519 Jeugdige
leeftijd
Jeugdige leeftijd
is op zichzelf geen beletsel voor het aannemen van aansprakelijkheid op grond
van ‘negligence’. Voor het vaststellen van de onzorgvuldigheid van het gedrag
vormt 'een kind van dezelfde leeftijd' het vergelijkingstype. De toetsing
heeft betrekking op de capaciteit tot het kennen van het risico en het
vermijden daarvan.
De Engelse literatuur besteedt betrekkelijk
weinig aandacht aan het probleem van de toerekeningsvatbaarheid. Een aantal
handboeken bespreekt dit probleem onder het hoofdstuk ‘capacity’. Dit begrip
is echter aanzienlijk ruimer dan toerekeningsvatbaarheid, omdat het
bijvoorbeeld ook ziet op de immuniteit voor aansprakelijkheid van de Kroon en
van buitenlandse diplomaten.
Vrijwel alle handboeken stellen voorop dat
minderjarigheid of jeugdige leeftijd op zichzelf geen beletsel is voor
aansprakelijkheid. Zo schrijven Winfield and Jolowicz bijvoorbeeld: 'In the law of tort
there is no defence of infancy as such and a minor is as much liable to be sued
for his torts as is an adult.'[147]
Deze regel levert weinig problemen op wanneer
het gaat om oudere kinderen vanaf ongeveer twaalf jaar. In het bijzonder
wanneer deze zich met volwassen activiteiten inlaten, zoals autorijden of het
bedienen van bepaalde machines toetst de rechter hun gedrag aan dat van een
volwassen vergelijkingstype.[148] Hier staat de minderjarige gelijk aan de
onervaren volwassene.[149]
Bij jonge kinderen is de leeftijd wel van
belang voor de vraag of zij op grond van ‘negligence’ voor de door hen
aangerichte schade aansprakelijk zijn. In dergelijke gevallen is het voor de
benadeelde niet voldoende om aan te tonen dat het gedrag van een kind voor een
volwassene ‘negligent’ zou zijn geweest.
Dit probleem kwam aan de orde in de
Australische zaak McHale v. Watson. Een twaalfjarige jongen had bij een poging
om een dartpijltje tegen een paal werpen, de paal gemist maar een toeschouwer
geraakt. Kitto J. merkte over de aansprakelijkheid van het kind op: '... it does
not follow that he cannot rely in his defence upon a limitation upon the
capacity for foresight or prudence, not as being personal to himself but as
being characteristic of humanity at his stage of development and in that sense
normal. By doing so he appeals to a standard of ordinariness to an objective
and not a subjective standard.'[150]
Er vindt dus een objectieve toetsing plaats;
het vergelijkingstype is het kind van dezelfde leeftijd. Deze vergelijking
heeft betrekking op '... the child's capacity to perceive the risk as well as
his sense of judgment and behaviour.'[151] Aldus werd bijvoorbeeld aangenomen
dat een jongen van vijf niet ‘negligently’ handelt door met pijlen te schieten
en een achtjarige niet door in een schuur lucifers aan te steken.[152] Edmund
Davies L.J. merkte in Kerry v. Carter op: 'At some stages of life, one year's
difference in age matters nothing; but in youth and early manhood when knowledge
is rapidly blossoming, a 12-month is a very long time.'[153]
De Court of Appeal is deze Australische uitspraak gevolgd in Mullin
v. Richards (1998) 1 All ER 920: voor de vraag of er sprake is van ‘negligence’
bij een kind is beslissend wat in redelijkheid mocht worden verwacht van een
‘ordinarily prudent and reasonable child of that age’. Een soortgelijke regel
ten aanzien van de eigen schuld van het kind volgde reeds uit Gough v. Thorne
(1966) 3 All ER 398. Zie David Wenham, Negligent children, Web Journal of Current Legal Issues
1998-4.
Er
zijn over de aansprakelijkheid van jonge kinderen weinig duidelijke rechterlijke
uitspraken en de schrijvers leiden het beginsel met betrekking tot de
aansprakelijkheid van jonge kinderen daarom af uit de rechtspraak met
betrekking tot de eigen schuld (contributory negligence) van het kind.[154] In
de Verenigde Staten is de situatie in grote lijnen dezelfde en toetst de
rechter het gedrag van kinderen aan dat van '... a child of like age,
intelligence and experience' met een subjectieve aanpassing aan de feitelijke
capaciteiten van het kind. De toepassing van deze regel verschilt echter per
staat.[154]
147. Winfield
and Jolowicz on Tort (1994), p. 712; Salmond and Heuston on the Law of Torts
(1996), p. 411.
148. Buckpitt v. Oates (1968) 1 All ER 1145 (17-jarige
automobilist); Goreley v. Codd (1967) 1 WLR 19 (aansprakelijkheid 16-jarige jongen,
die zomaar met een geweer schiet).
149. Prosser and
Keeton on the Law of Torts (1984), p. 181. Zie Nettleship v. Weston (1971) 2 QB 691, waarover nr. 513.
150. Kitto J. in
McHale v. Watson (1966) 115 CLR 199, 213.
151. Fleming,
The Law of Torts (1998), p. 126.
152. Walmsley v.
Humenick (1954) 2 DLR 232 en Yorkton Agriculture and Industrial Exhibition
Society v. Morley (1967) 66 DLR (2d) 37. Fleming, The Law of Torts (1998), p.
126; Winfield and Jolowicz on Tort (1994), p. 713; Salmond and Heuston on the
Law of Torts (1996), p. 411-412.
153. Edmund
Davies L.J. in Kerry v. Carter (1969) 1 WLR 1372, 1377.
154. Fleming,
The Law of Torts (1998), p. 321-322 en Winfield and Jolowicz on Tort (1994), p.
712-713.
155. Prosser and
Keeton on the Law of Torts (1984), p. 179-180 en 1071-1072.