AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

5        ENGELAND

 

5.4    Andere gronden voor foutaansprakelijkheid

 

515   Private nuisance

 

Om vast te stellen of er sprake is van ‘private nuisance’ dient een afweging plaats te vinden tussen het belang van de ene eigenaar om te hinderen en dat van de andere eigenaar om het rustig bezit van zijn land te hebben. Zorgvuldigheid speelt daarbij een ondergeschikte rol, tenzij de hinder door een derde of door de natuur is veroorzaakt.

 

Bij ‘private nuisance’ gaat het veelal om voortdurende of weerkerende hinder ten aanzien van andermans gebruik of genot van land. Een fy­sieke aantasting is niet vereist.[110]

 

Het uitgangspunt is dat iedereen een zekere mate van hinder moet dulden; het gaat dan ook om het afwegen van het belang van de ei­genaar om het land te gebruiken zoals hem goeddunkt en het belang van de buurman om het rustig bezit ervan te hebben.[111] Het kernbegrip bij ‘nuisance’ is dan ook ‘reasonableness’. Dat wil niet zeggen dat de te betrach­ten zorg niet relevant is: 'Lack of care may, however, lead to liability for it is not reasonable to expect the plaintiff to put up with interference which could be reduced by the adoption of proper measures. On the other hand, if, after balancing the competing interests of the parties, the court considers that the interference is excessive by any standards then the fact that the defendant has taken all reasonable care and reduced it to a minimum provides no defence - the irreducible minimum is itself the nuisance.'[112]

 

In dit verband is van belang dat in het kader van ‘nuisance’ ook een ‘affirmative duty’ kan bestaan om hinder te voorkomen die is veroor­zaakt door een vorige eigenaar,[113] een ‘tres­pas­ser’[114] of de natuur.[115] In deze gevallen geldt de plich­t om in te grijpen pas van­af het moment dat de verantwoordelijke persoon weet of bij redelijke zorg had moeten we­ten van het bestaan van de hinder. Daarbij wordt veelal rekening ge­houden met diens in­dividuele omstandigheden. Zo overwoog Lord Wilberfor­ce in Goldman v. Har­grave: 'One may say in general terms that the existence of a duty must be based upon knowled­ge of the hazard, ability to foresee the consequences of not checking or remo­ving it, and the ability to abate it. (...). The standard ought to be to require of the occupier what is reasonable to expect of him in his individual circumstan­ces.'[116]

 

De af te wegen factoren in het kader van ‘nuisance’ zijn onder meer de omvang van de hinder, de aard van de locatie, het nut van de hinderver­oorzakende ge­draging en de ge­voelig­heid van de gehinderde.[117] Op grond van deze afweging lever­den bijvoorbeeld 750 kraaiende hanen ‘nuisance’ op maar huilende kinderen in een kinder­dagver­blijf niet.[118] Van ‘nuisance’ kan ook sprake zijn indien markten en sportwed­strij­den verkeerde personen aantrekken, '... who misbehave outside, as by trespassing on adjacent property, using profane language or urinating in the street.'[119]

 

Voor de betekenis van ‘nuisance’ is in het bijzonder de Cambridge Water-case uit 1994 van belang. Het ging hierin om een bedrijf dat in de jaren zeventig chemica­liën had laten lekken op het eigen terrein; deze bereikten via de grond de één mijl verderop gelegen waterbron van eiser; het water werd daardoor onbruikbaar. Voor een schadevergoedings­actie op grond van ‘nuisance’ achtte de House of Lords vereist, dat de mogelijk­heid van hinder van het voorgevallen type redelijkerwijs ‘foreseeable’ was voor iemand als de gedaagde. Dit betekent dat op dit punt dezelfde standaard geldt als bij ‘negligen­ce’. Omdat 'voorzienbaarheid' niet kwam vast te staan, was de conclusie dat het bedrijf niet aanspra­kelijk was op grond van ‘nuisance’.[120] Zie voor de toepassing van de Rule in Rylands v. Fletcher in de Cambridge Water-case nr. 521.

 

Een andere belangrijke ‘private nuisance’-zaak ging over claims van bewoners van de Londense Docklands, die stelden dat hun televisie-ontvangst sterk achter­uit ging door de bouw van de 250 meter hoge Canary Wharf Tower. De House of Lords achtte een claim op grond van ‘private nuisance’ echter niet toewijsbaar, omdat iedereen op zijn land mag bouwen wat hij wil, ook al belemmert hij licht, lucht, zicht of televisie-ontvangst van de buur­man. Aansprake­lijkheid voor deze hinder zou, gezien de omvang ervan, zeer be­zwaarlijk zijn voor de bouwer of ei­genaar van de toren: Hunter v. Canary Wharf Ltd.[121] Bovendien: '... in the mean­ti­me, there was always satellite and cable (...). Let them watch BSkyB!'[122] In deze zaak besliste de House of Lords in meer­der­heid on­dubbelzin­nig dat alleen iemand met eigendomsrechten (proprietary interest) een ‘private nuisance’-claim kan dienen; persoon­lijk gerechtigden vallen buiten de boot.[123]

 

110. Winfield and Jolowicz on Tort (1994), p. 404. Zie Thompson-Schwab v. Costaki (1956) 1 WLR 335 (bordeel) en Laws v. Florinplace Ltd. (1981) 1 All ER 659 (sex-shop).

111. Winfield and Jolowicz on Tort (1994), p. 404.

112. Winfield and Jolowicz on Tort (1994), p. 407. In deze zin reeds Lindley LJ in Rapier v. London Tramways Co. (1893) 2 Ch. 588, 600: 'If I am sued for nuisance and nuisance is proved it is no defence to say and to prove that I have taken all reasonable care to prevent it'.

113. Torette House v. Berkman (1940) 62 CLR 637, 657-659.

114. Sedleigh-Denfield v. O'Callaghan (1940) AC 880.

115. Goldman v. Hargrave (1967) 1 AC 645; Leakey v. National Trust (1980) QB 485.

116. Lord Wilberforce in Goldman v. Hargrave (1967) 1 AC 645, 663. Winfield and Jolowicz on Tort (1994), p. 423-425; Fleming, The Law of Torts (1998), p. 477-478.

117. Winfield and Jolowicz on Tort (1994), p. 407-410; Markesinis and Deakin, Tort Law (1999), p. 425-435; Fleming, The Law of Torts (1998), p. 465.

118. Leeman v. Montagu (1936) 2 All ER 1677 en Moy v. Stoop (1909) 25 TLR 262.

119. Fleming, The Law of Torts (1998), p. 479.

120. Cambridge Water Co. v. Eastern Counties Leather plc. (1994) 2 WLR 75. Zie ook W.V.H. Rogers, Liability for environmental pollution in the common law: the Cambridge water case, A&V 1994, p. 64-69; zie reeds The Wagon Mound (No. 2) (1967) 1 AC 617 (P.C.); Home Brewery v. Davis (1987) 2 WLR 117, 128; Winfield and Jolo­wicz on Tort (1994), p. 415.

121. Hunter v. Canary Wharf Ltd (1997) 2 All ER 426.

122. Allastair Mullis en Donal Nolan, Tort, All ER Annual Review 1997, p. 513.

123. Mullis en Nolan, All ER Annual Review 1997, p. 514. Zie hierover F.H. Newark, The Boundaries of Nuisance, 65 (1949) LQR, p. 480-490.

 

Naar boven    Inhoud      Home