________________________________________
5 ENGELAND
5.3 Tort
of negligence
510 Psychische
schade
Een tweede gebied, naast dat van de economische
schade (nr. 509), waar de ‘duty of care’ problematisch is, is dat van de
psychische schade, ook wel aangeduid met ‘nervous shock’. Hoewel er op dit
gebied nog veel vragen en onduidelijkheden bestaan, zijn er wel enige grote
lijnen aan te geven.
Voor aansprakelijkheid voor psychische schade
is niet vereist dat de benadeelde zelf letsel heeft opgelopen.[68] Indien het
gaat om psychische schade van een ‘primary victim’ (degene die het ongeval zelf
overkomt) is voorzienbaarheid van de psychische schade evenmin vereist. Bij
schade van een ‘secondary victim’ (zij die het ongeluk slechts zien of ervan
horen), is in het algemeen wel vereist dat de shock of de psychische schade
voor de veroorzaker voorzienbaar (foreseeable) is. In Bourhill v. Young ging
het om een motorfietser die door te hard rijden op een auto botste en om het
leven kwam. Op het moment van de botsing stapte vijftien meter verderop een
zwangere vrouw uit de tram. Zij zag het ongeluk niet maar door het horen van de
klap kreeg ze een nervous shock en haar kind werd een maand later dood
geboren; de House of Lords nam geen aansprakelijkheid van de (ervan van de)
motorrijder tegenover de vrouw aan, omdat op hem jegens haar geen ‘duty of
care’ rustte.[69]
Voorzienbaarheid is echter geen voldoende voorwaarde
voor aansprakelijkheid. Daarnaast is namelijk vereist dat een persoon van
normale gevoeligheid in dezelfde situatie een door een psychiater vast te
stellen shock zou hebben opgelopen, aldus Lord Wright: 'It is here, as
elsewhere, a question of what the hypothetical reasonable man, viewing the
position, I suppose ex post facto, would say it was proper to foresee, what
danger of particular infirmity that would include must depend on all the
circumstances, but generally, I think, a reasonably normal condition, if
medical evidence is capable of defining it, would be the standard.'[70]
Tenslotte dient eiser getuige te zijn geweest
van het ongeluk of van de ‘immediate aftermath’ en moet hij een voldoende
nauwe band hebben met het ongevalsslachtoffer. Dit wordt ook wel aangeduid als
het ‘proximity’-vereiste. In McLoughlin v. O'Brian ging het om een vrouw die
hoorde dat de leden van haar gezin een ernstig auto-ongeluk hadden gehad. In
het ziekenhuis aangekomen bleek één van haar kinderen te zijn overleden, twee
andere kinderen en haar man waren zwaar gewond. De House of Lords wees de vordering
tot vergoeding van psychische schade toe, omdat de vrouw met de directe
gevolgen van het ongeval was geconfronteerd en het daarbij ging om naaste
verwanten.[71]
Deze lijn werd bevestigd de Hillsborough-case,
waarin het ging om familie en vrienden van toeschouwers die op 15 april 1989
tijdens de ramp in het Hillsborough Stadium in Sheffield bij de halve finale
van de FA-Cup tussen Liverpool en Nottingham Forest in de opdringende massa om
het leven waren gekomen. De politie was aansprakelijk op grond van
‘negligence’, omdat een ‘senior police officer’ toestemming had gegeven om een
toegangshek te openen, zonder zich er eerst van te hebben vergewist dat degenen
die werden binnengelaten niet in de vakken met Liverpool supporters zouden
komen. De familie en vrienden van de overledenen vorderden vergoeding van hun
psychische schade.
De House of Lords wees de claims af die
afkomstig waren van broers, zwagers, ooms, grootouders en vrienden van de
overledenen, omdat hun relatie niet ‘close’ genoeg was.[72] Dit is overigens
geen algemene regel: bij ernstiger psychische schade is de toewijzing van
een claim van een broer of van grootouders niet uitgesloten: is er sprake van
een ‘close and loving relationship’ dan kan ‘foreseeability’ worden aangenomen.[73]
Voorts werd onvoldoende
geacht dat iemand via de televisie getuige was geweest van het drama en later
het nieuws over de overledenen had gehoord: 'The viewing of these scenes
cannot be equiparated with the viewer being within "sight or hearing of
the event in question" to use the words of Lord Wilberforce (in McLoughlin
v. O'Brien), nor can the scenes reasonably be regarded as giving rise to shock,
in the sense of a sudden assault on the nervous system. They were capable of
giving rise to anxiety for the safety of relatives known or believed to be
present in the area affected by the crush, and undoubtedly did so, but that is
very different from seeing the fate of the relative or his condition shortly
after the event.'[74]
De
Hillsborough-case leidde ook tot claims van politiemensen jegens hun werkgever
voor schade die zij leden als gevolg van een post traumatisch stress syndroom.
Hoewel deze claims deels werden toegewezen, omdat de politiemensen als
reddingswerkers konden worden beschouwd jegens wie een ‘duty of care’
bestond,[75] heeft de House of Lords daaraan beperkingen gesteld in White v. Chief Constable
of South Yorkshire.[76]
68. Zie ook R.J.P. Kottenhagen, Shockschade: een rechtsgebied in
beweging, NTBR 1996, p. 119-127 en W.V.H. Rogers, Liability for Psychiatric
Trauma in England, A&V 1998, p. 113-116.
69. Bourhill v. Young (1943) AC 92;
The Wagon Mound (No. 1) (1961) AC 388 en Page v. Smith (1995) 2 All ER 736. Zie over laatstgenoemde uitspraak onder meer C.A. Hopkins, A
New Twist to Nervous Shock, Cam LJ 1995, p. 491-493; Markesinis and Deakin,
Tort Law (1999), p. 123-137.
70. Lord Wright in Bourhill v. Young
(1943) AC 92, 110. Salmond and Heuston on the Law of Torts (1996), p. 215;
Markesinis and Deakin, Tort Law (1999), p. 127-128.
71. McLoughlin v. O'Brian (1983) AC
410.
72. Alcock v. Chief Constable of
South Yorkshire (1992) 1 AC 310.
73. Markesinis and Deakin, Tort Law
(1999), p. 131-133.
74. Lord Keith in Alcock v. Chief
Constable of South Yorkshire (1992) 1 AC 310, 398. Zie ook Hicks and Others v.
Chief Constable of South Yorkshire Police (1992) 2 All ER 65. Zie voorts K.J.
Nasir, Nervous Shock and Alcock: The Judicial Buck Stops Here, 55 (1992) Mod
LR, p. 705-713; B. Lynch, A Victory for Pragmatism? Nervous Shock Reconsidered,
108 (1992) LQR, p. 367-371; S. Hedley, Hillsborough - Morbid Musings of a
Reasonable Chief Constable, Cam LJ 1992, p. 16-19.
75. Frost v. Chief Constable of the
South Yorkshire Police (1997) 1 All ER 540. Zie voor een ‘duty of care’ jegens een brandweerman Ogwo v. Taylor
(1987) 3 All ER 961. In Amerikaanse staten is op grond van de ‘fireman’s rule’
vergoeding van letselschade voor professionele redders niet mogelijk: zie
bijvoorbeeld Krauth v. Geller (1960) 157 A 2d 129.
76. White v. Chief Constable of South Yorkshire (1998) 3 WLR 1510;
zie Markesinis and Deakin, Tort law (1999), p. 136-137, in het bijzonder over
de onduidelijke verhouding tussen ‘negligence’ en ‘employer’s liablity’.