________________________________________
5 ENGELAND
5.3 Tort
of negligence
507 Uitbreiding
reikwijdte ‘duty of care’
Tot in de jaren
tachtig breidde de rechtspraak de reikwijdte van de algemene ‘duty of care’
verder uit. Dit laat zich illustreren aan de hand van Hedley Byrne & Co.
Ltd. v. Heller and Partners Ltd. (1964), Home Office v. Dorset Yacht Co. Ltd. (1970) en Anns v. Merton
London Borough Council (1978).
Het
reclamebureau Hedley Byrne & Co. vroeg aan de bank informatie over de
financiële positie van één van haar cliënten. De bank gaf op grond van
onzorgvuldig onderzoek gunstige informatie maar de cliënt ging korte tijd later
toch failliet en Hedley leed schade. In deze uitspraak nam de House of Lords,
refererend aan het ‘atkinian principle’ in Donoghue v. Stevenson, unaniem aan
dat er een ‘duty of care’ bestond voor de bank bij het geven van informatie
over de solvabiliteit van bepaalde personen. Sinds deze uitspraak heeft de
‘duty of care’ niet alleen betrekking op daden maar onder bijzondere
omstandigheden ook op mededelingen en uitspraken.[44]
De
speech van Lord Reid in Home Office v. Dorset Yacht Co. Ltd. betekende in 1970
een nieuwe stap in de ontwikkeling naar een algemene ‘duty of care’. Het ging
in deze zaak om zeven jeugdige gevangenen die op een eiland te werk waren
gesteld. Op een nacht ontsnapten zij aan hun bewakers, gingen uit varen en
botsten daarbij op het jacht van eiser. De House of Lords nam aan dat de
bewakers (die ressorteerden onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken)
tegenover de jachteigenaar een ‘duty of care’ hadden. Lord Reid motiveerde dit
door te stellen dat Donoghue v. Stevenson mocht worden gezien als een
‘milestone’ '... and the well-known passage in Lord Atkin's speech should I
think be regarded as a statement of principle. It is not to be
treated as if it were a statutory definition. It will require qualification in
new circumstances. But I think the time has come when we can and should say
that it ought to apply unless there is some justification or valid explanation
for its exclusion.'[45] Lord Reid draaide de zaken dus uitdrukkelijk om:
volgens hem was het ‘neighbour principle’ een beginsel waaruit een algemene
‘duty of care’ voortvloeide, tenzij er een reden was om het tegendeel aan te
nemen.
In
Anns v. Merton London Borough Council uit 1978 kreeg de geciteerde passage van
Lord Reid de instemming van alle leden van de House of Lords. In casu ging het
om flats die door een te smalle fundering waren gaan verzakken. De House of
Lords nam aan dat er voor de gemeente jegens toekomstige flatbewoners een ‘duty
of care’ bestond om te controleren of de fundamenten van het gebouw
overeenkwamen met de bouwvoorschriften. Volgens Lord Wilberforce
bestond de vraag of er een ‘duty of care’ was voortaan uit twee gedeelten:
'First one has to ask whether, as between the alleged wrongdoer and the person
who has suffered damage there is a sufficient relationship of proximity or
neighbourhood such that, in the reasonable contemplation of the former,
carelessness on his part may be likely to cause damage to the latter - in which
case a prima facie duty of care arises. Secondly, if the first question is
answered affirmatively, it is necessary to consider whether there are any
considerations which ought to negative, or to reduce or limit the scope of the
duty or the class of person to whom it is owed or the damages to which a breach
of it may give rise.'[46] Dit ‘two-stage principle’ van Lord Wilberforce leidde
tot een uitbreiding van de aansprakelijkheid voor economische schade (economic
loss).[47]
Kritisch over deze
ontwikkeling waren J.C. Smith and Peter
Burns: Donoghue v. Stevenson -
The Not So Golden Anniversary Modern Law Review 46 (1983), p. 147-163,
die onder meer opmerkten: ‘Seldom in the history of the common law has a
single statement of a single judge in a single case had such a profound effect
on the development of the law. It is ironic, therefore, that Lord Atkin
probably did not intend his now famous "neighbour principle" to be
the theoretical foundation of his judgment. It is almost certainly now being
viewed differently from the way in which he meant it to be, and is being given
a meaning that is inconsistent with the rest of his judgment and that of the
other Law Lords in the case.’
44. Hedley Byrne
& Co. Ltd. v. Heller and Partners Ltd. (1964) AC 465; deze lijn werd
voortgezet in Ministry of Housing and Local Government v. Sharp (1970) 2 QB
223.
45. Home Office
v. Dorset Yacht Co. Ltd. (1970) AC
1004, 1027; zie ook Central Asbestos Co. Ltd. v. Dodd (1973) AC 518. Winfield and
Jolowicz on Tort (1994), p. 82.
46. Anns v.
Merton London Borough Council (1978) AC 728, 751-752; zie ook Arenson v.
Casson, Beckman, Rutley & Co. (1977) AC 405, 419.
47. Zie met name
Junior Books Ltd. v. Veitchi Co. Ltd. (1983) 1 AC 520. Markesinis and Deakin,
Tort Law (1999), p. 81-83; Winfield and Jolowicz on Tort (1994), p. 82-83. Zie
ook Ross v. Caunters (1979) 3 WLR 605; Standard Chartered Bank Ltd. v. Walker
(1982) 1 WLR 1410; Salmond and Heuston on the Law of Torts (1996), p. 201-202.