________________________________________
5 ENGELAND
5.1 Inleiding
Het belangrijkste
deel van het Engelse burgerlijk recht is niet in wetten geregeld maar bestaat
uit rechtersrecht. Dit systeem wordt ‘common law’ genoemd. De ‘common
law’-rechter laat zich leiden door eerdere beslissingen in soortgelijke zaken
en niet - althans veel minder - door abstracte normen.
Bij
rechtsvinding in de ‘common law’ ligt het accent op situatievergelijking en
niet op normtoepassing. Indien een zaak aan de rechter wordt voorgelegd, gaat
hij voor zijn beslissing primair op zoek naar een precedent dat feitelijk
gelijkenis vertoont met het voorliggende geval. Hij gaat dan ook, zo betoogde
Lord Denning, niet uit van een beginsel '... but proceed, in our English
fashion, from case to case until the principle emerges.'[1]
Reeds
in 1950 noemde J. Drion het verschil tussen ‘common law’ en het continentale
‘civil law’ eerder gradueel dan principiëel.[2] Zeker voor het aansprakelijkheidsrecht
is dit terecht. Sommigen gaan zelfs zover om te stellen dat er op een enkele
uitzondering na (waarbij dan met name de ‘trust’ wordt genoemd; zie ook Asser-Mijnssen, Goederenrecht, Algemeen
deel, 2001, nrs. 468 e.v.) geen wezenlijke
verschillen bestaan tussen beide rechtssystemen.[3] Dit laat onverlet dat er
wel degelijk verschillen bestaan in de wijze van denken en de wijze van
rechtsvinding. Op het gebied van het aansprakelijkheidsrecht komt dit in het
bijzonder tot uitdrukking in de functie en inhoud van de ‘duty of care’.
Daarnaast denkt de ‘common law’-jurist doorgaans veel casuïstischer dan de
veelal conceptueel denkende ‘civil law’-jurist: hij is niet op zoek naar een
norm, een concept, maar naar een vergelijkbare casus.
In
de Verenigde Staten is de gebondenheid van de rechter aan precedenten veel
geringer dan in Engeland. Tunc schreef hierover: 'The English judge is
permanently restrained and may have great difficulty in finding his way toward
the desirable solution through precedents which are deemed immovable. The
American judge is more willing to bulldoze his way and apply his energy to
going forward. This may not be dignified and does not always require great
technical capacities, but it produces results.'[4]
De
Amerikaanse rechter gaat dus vrijmoediger, dat wil zeggen met minder rechtspolitieke
scrupules, met het hem ter beschikking staande begrippenkader om dan zijn
Engelse collega. Dit betekent echter niet dat de Amerikaanse jurist conceptueel
denkt: hij is, getuige de vaak overvloedig aangehaalde jurisprudentie in
wetenschappelijke artikelen, eerder nog casuïstischer ingesteld dan de
Engelse.
Naast
het rechtersrecht spelen in toenemende mate wetten (statutes) een rol
van betekenis. Deze wetten hebben doorgaans betrekking op een beperkt gebied.
In het kader van het aansprakelijkheidsrecht valt onder meer te denken aan de
Occupier's Liability Act 1957, de Occupier's Liability Act 1984, de Consumer
Protection Act 1987 en de Animals Act 1971 (nr. 522). Zie over ‘breach of statutory duty’ nr. 516.
1. Chic Fashions
(West Wales) Ltd. v. Jones (1968) 2 QB 299, 312, 313. Zie ook Kottenhagen, Van precedent tot precedent (1986) en
Uniken Venema, Law and Equity in het Anglo-Amerikaanse privaatrecht (1990), p. 23-28.
2. J. Drion, Stare decisis, het gezag van precedenten (1950),
p. 142-170.
3. Zie onder meer James Gordley, Common law und civil law:
eine überholte Unterscheidung, ZEuP 1993, p. 498-518 en hiertegen met name
Pierre Legrand, European Legal Systems are not Converging, 45 ICLQ (1996), p.
52-81.
4. André Tunc,
The Not So Common Law of England and the United States, Mod LR 47 (1984), p.
169. Aldus ook Prosser and Keeton on the Law of Torts (1984), p. 19.