AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

4        DUITSLAND

 

4.3    Strengere vormen van aansprakelijkheid

 

419   Risico-aansprakelijkheid (Gefährdungshaftung)

 

Afgezien van de aansprakelijkheid van de houder van een ‘Luxustier’ is de risico-aansprakelijkheid volledig buiten het BGB in bijzondere wetten geregeld. In deze regimes vormt doorgaans een gevaarlijke installatie (Anlage) of een gevaarlijke activiteit het aanknopingspunt voor aansprakelijkheid.

 

Vrijwel alle vormen van risico-aansprakelijkheid zijn buiten het BGB in bijzondere wetten geregeld, onder meer in het Haftpflichtgesetz. Deze aansprakelijkheden hebben steeds betrekking op activiteiten waarin zich de bijzondere ongevalsrisico's van de moderne technische ontwikkelingen kunnen verwezenlijken.[143]

 

Elke regel van risico-aansprakelijkheid is het produkt van een op het moment van invoering door de wetgever noodza­kelijk geachte afwijking van de ‘Verschuldenshaftung’. De regels hebben veelal een beperkte strekking en zijn daardoor niet steeds be­stand tegen latere techni­sche ontwikkelingen. De ‘Gefährdungshaftung’ vormt derhalve een weinig overzichtelijk geheel. Pleidooi­en om te komen tot een algemene risico-aan­sprakelijkheid voor een '... Anlage von der eine besondere Gefahr ausgeht', hebben echter niet tot resultaat geleid, niet in de laatste plaats door onenigheid over de vormge­ving van een dergelijke ‘Generalklausel’.[144]

 

Smartengeld komt op grond van risico-aansprakelijkheid niet voor vergoeding in aan­merking; een uitzondering vormt de risico-aansprakelijkheid voor dieren ex § 833. Dit leidt ertoe, dat in veel procedures naast risico-aansprakelijkheid ook foutaansprakelijkheid als grondslag van de vordering aan de orde moet worden gesteld. De reden daarvoor kan ook liggen in het feit dat de hoogte van de schadevergoeding bij risico-aansprakelijkheid steeds is gelimiteerd, met uitzondering van (opnieuw) § 833 en § 22 WHG (zie on­der).[145]

 

Ingevolge § 1 Abs. 1 HPflG is de exploitant van een spoorweg, trambaan, zweef­baan of skilift (met uitzondering van een sleeplift) aansprakelijk voor de schade die ontstaat door het zogenaamde ‘Betriebsgefahr’. Dit betekent bijvoorbeeld dat de risico-aansprake­lijkheid niet van toepassing is indien iemand op een perron uitglijdt maar wel in­dien hij als gevolg van het gedrang van in- uitstappende reizigers ten val komt. De ex­ploitant kan zich tot zijn verweer slechts beroepen op een van buiten komende oorzaak (höhere Gewalt). Risico-aansprakelijkheid geldt ook voor de exploitanten van electriciteits- en pijpleidingen (§ 2 Abs. 1 S. 1 HPflG) en kernenergie-installaties (§ 25 e.v. AtomG).[146]

 

Op de exploitant van een vliegtuig rust een risico-aansprakelijkheid (§ 33 LuftVG) voor personen- en zaakschade, ook indien de schade wordt veroorzaakt door vliegtuigla­waai. Zij is dus ook van toepassing indien een automobilist, geïmponeerd door het geluid van een laagvliegend straalvliegtuig, tegen een boom rijdt.[147]

 

De geneesmiddelenproducent is op grond van § 84 AMG aansprakelijk, ook indien '... das Arzneimittel bei bestimmungsgemäßem Gebrauch schädliche Auswirkungen hat, die über ein nach den Erkenntnissen der medizinischen Wissenschaft vertretbares Maß hinausgehen und ihre Ursache im Bereich der Entwicklung oder Herstellung haben.'[148] Met andere woorden: zelfs het strenge ontwikkelingsrisicoverweer (nr. 1306: Risico-aansprakelijkheid: artikelen 6:185 e.v. BW) komt de geneesmiddelenfabrikant niet toe.

 

Deze strengere regel blijft ook gelden na de implementatie van de Europese richtlijn gebrekkige produkten in het Produkthaftungsgesetz.[149] Met betrekking tot het ontwikke­lingsrisicoverweer in § 1 Abs. 2 Nr. 5 ProdHaftG (art. 6:185 lid 1 sub e BW) heeft het Bundesgerichtshof in 1995 beslist, dat het hierbij gaat het om gevallen, '... in denen die zum Schaden führen­de gefährliche Eigenschaft des Produkts im Zeitpunkt seiner Inverkehrgabe mit allen der Wissenschaft und Technik zur Verfügung stehenden Mitteln nicht zu entdecken war (...). Entwick­lungsrisiken sind nur Gefahren, die von der Konstruktion eines Produkts ausge­hen, aber nach dem neuesten Stand der Technik nicht zu vermeiden waren (...) nicht aber die bei der Produktion nicht zu vermeidenden Fahler.'[150] Volgens het BGH is voor het slagen van dit verweer dus vereist, dat de gevaarlijke eigenschappen van het produkt op het moment van het in het verkeer brengen met alle in wetenschap en techniek ter beschikking staande middelen niet te ontdekken waren. Daarbij kan het alleen gaan om gevaren die uit het ontwerp voortvloeien, niet om gevaren die uit de produktie voortvloeien: zie BGH 9 mei 1995, BGHZ 129, 353, NJW 1995, 2162 (engelse vertaling: Tony Weir).

 

Op grond van § 1 van het in 1991 ingevoerde Umwelthaftungsgesetz is de exploitant (Inhaber) van een inrichting (Anlage) aansprakelijk, indien door milieuverontreiniging personen- of zaakschade wordt veroorzaakt. Het moet dan gaan om stoffen, trillingen, lawaai, druk, straling, stoom of warmte die op de bodem, de lucht of het water inwer­ken. De aansprakelijkheid geldt slechts voor de in de bijlage bij deze wet aangeduide inrichtingen, variërend van het terrein van de energievoorziening, via de voedingsmiddelenproduktie tot afvalverwerking. Op grond van § 4 UmweltHG kan de exploitant aan aansprakelijkheid ontkomen door ‘höhere Gewalt’ aan te tonen, bijvoorbeeld natuurgeweld of sabotage door derden.[151]

 

Op grond van § 18 UmweltHG blijft § 22 Wasserhaushaltsgesetz van kracht. Deze bepaling legt een risico-aansprakelijkheid op degene die in het water (meren, beken, rivieren, vijvers, grondwater) stoffen '... einbringt oder einleitet die die Beschaffenheit des Wassers derart verändern, daß dadurch einem anderen ein Schaden entsteht. Die gleiche Ersatzpflicht trifft den Inhaber einer zur Herstellung, Verarbeitung, Förderung, Lagerung oder Fortleitung von Stoffen bestimmten Anlage, wenn die Stoffe aus der Anlage in ein Gewässer gelangt sind und dadurch Schaden angerichtet worden ist.' Ook hier sluit ‘höhere Gewalt’ aansprakelijkheid uit (§ 22 Abs. 2). Het voordeel van deze bepaling naast het UmweltHG is, dat zij blijkens haar bewoordingen niet beperkt is tot personen- en zaakschade en dat de omvang van de schadevergoeding niet gelimiteerd is.

 

Vermelding verdient tenslotte § 906 Abs. 2 BGB, dat de eigenaar van een perceel een recht op schadevergoeding geeft, indien door een ‘ortsüblich’ gebruik van een naburig perceel hinder wordt toegebracht, die economisch gezien redelijkerwijs niet kan worden voorkomen. Voor deze actie is geen ‘Verschulden’ van de nabuur vereist.

 

143. Esser, Grundlagen und Entwicklung der Gefährdungshaftung (1969), p. 97 e.v.; Will, Quellen erhöhter Gefahr (1980), p. 243 e.v.; Kötz, Gutachten und Vorschläge (1981), p. 1779; Kötz, Deliktsrecht (1998), N 338.

144. Kötz, Gutachten und Vorschläge (1981), p. 1785 e.v.; Will, Quellen erhöhter Gefahr (1980). Zie kritisch Stoll, Richterliche Fortbildung und gesetzliche Überarbeitung des Deliktsrecht (1984), p.19 e.v.

145. Deutsch, Unerlaubte Handlungen (1995), N 365.

146. Deutsch, Unerlaubte Handlungen (1995), N 377-379, 391 en 394.

147. BGH 1 december 1981, NJW 1982, 1046, VersR 1982, 243.

148. Kötz, Deliktsrecht (1998), N 478; Sieger, VersR 1989, p. 1014-1021. Zie over de stand van wetenschap en techniek nr. 907.

149. Deutsch, Unerlaubte Handlungen (1995), N 404.

150. BGH 9 mei 1995, BGHZ 129, 353, 359. Zie voor literatuur over produkten­aansprakelijkheid Münchener Kommen­tar-Mertens (1997), § 823 N 269-309.

151. Günter Hager, Das neue Unwelthaftungsgesetz, NJW 1991, p. 134-143; Deutsch, Unerlaubte Handlungen (1995), N 402. Zie uitvoerig Messer, Risico-aansprakelijkheid voor milieu-verontreini­ging in het BW (1994), p. 139-184.

 

Naar boven    Inhoud      Home