AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT
- C.C. van Dam
________________________________________
4 DUITSLAND
4.2.4 Toerekeningsvatbaarheid
(Zurechnungsfähigkeit)
414 Kinderen en jeugdigen (§ 828 BGB)
Kinderen tot zes jaar
zijn nimmer voor eigen gedragingen aansprakelijk. Jeugdigen van zeven tot
achttien jaar zijn vrijwel steeds toerekeningsvatbaar maar hun
aansprakelijkheid kan met name afstuiten op het leeftijdsafhankelijke
‘Verschulden’, in het bijzonder indien de jeugdige het risico niet kon
vermijden bij gebrek aan ‘Steuerungsfähigkeit’.
Op
grond van de eerste zin van § 828 zijn kinderen tot en met zes jaar nooit
aansprakelijk voor de door hen aangerichte schade. Zij kunnen ook geen eigen
schuld (Mitverschulden) in de zin van § 254 hebben; wel kan in een
dergelijk geval § 829 van toepassing zijn (nr. 415).[96]
Een
jeugdige - iemand in de leeftijd van zeven tot achttien jaar[97] - is niet
aansprakelijk indien hij bij het verrichten van de gedraging onvoldoende ‘Einsichtsfähigkeit’
had. Dit is het geval '... wenn er nach seiner geistigen Entwicklung fähig ist,
das Unrechtmäßige seiner Handlung und zugleich die Verpflichtung zu erkennen,
in irgendeiner Weise für die Folgen seiner Handlung selbst einstehen zu müssen.'[98]
Deutsch concludeert dat voor toerekeningsvatbaarheid in de zin van § 828 Abs. 2
bepalend is, of de jeugdige een algemeen verantwoordelijkheidsbesef heeft en of
hij dit op het concrete geval kan projecteren.[99] Volgens Kötz is dit een
moeilijke vraag '... über die sich unter Heranziehung psychologisch
ausgebildeter Sachverständiger über mehrere Instanzen hinweg trefflich streiten
läßt.'[100]
Van
het Bundesgerichtshof zijn geen uitspraken bekend waarin het de ‘Einsichtsfähigkeit’
bij een jeugdige afwezig acht. Een vordering tegen een jeugdige strandt dan ook
vrijwel nooit op het ontbreken van toerekeningsvatbaarheid maar op het
ontbreken van ‘Verschulden’.[101]
Bij
het ‘Verschulden’ komen twee vragen aan de orde: had de jeugdige inzicht in het
concrete gevaar van zijn gedrag (Erkennbarkeit) en kon de jeugdige zich, gezien
zijn leeftijd, van dat gedrag onthouden (Steuerungsfähigkeit)? Voor het
vaststellen van dit ‘Verschulden’ geldt een maatstaf die gerelateerd is aan de
leeftijd van het desbetreffende kind (typisierter Fahrlässigkeitsmaßstab) (nr.
412).[102]
Het
onderscheid tussen ‘Einsichtsfähigkeit’ en ‘Erkennbarkeit’ is niet scherp. In
beide begrippen speelt de kenbaarheid van het risico een rol: 'Sie wird
einmal, für § 828, individuell, das andere Mal, für die Fahrlässigkeit, nach
den typischen Fähigkeiten der Altersgruppen geprüft. Daraus ergeben sich
Widersprüche, denen die Rechtsprechung dadurch auszuweichen sucht, daß die an
die zur Erkenntnis der Verantwortlichkeit erforderliche Einsicht relativ
geringe Anforderungen stellt und das Schwergewicht auf die Frage des
Verschuldens verschiebt.'[103]
De
rechtspraak neemt de ‘Erkennbarkeit’ van het gevaar snel aan indien het gaat om
gevaarlijk speelgoed of om de gevaren van het wegverkeer. Daarentegen zijn
vooral voor jongere kinderen andere gevaren doorgaans nog niet te begrijpen,
zoals de omgang met chemicaliën, medicijnen en soms ook het spelen met
lucifers.[104]
Wanneer
het gevaar ‘erkennbar’ is, komt de ‘Steuerungsfähigkeit’ om zich van het gedrag
te onthouden aan de orde. Deze kan ontbreken wanneer een kind iets doet in het
vuur van het spel of wanneer het gaat om kinderlijke zorgeloosheid.[105] Een
beslissing van het Bundesgerichtshof uit 1970 biedt hiervan een voorbeeld. Een
autobuschauffeur moest maakte een noodstop voor een zevenjarige jongen die een
bal naliep die op de weg terecht was gekomen. Eén van de buspassagiers raakte
bij deze actie gewond en sprak de jongen aan voor haar schade. Het
Bundesgerichtshof nam bij de zevenjarige jongen ‘Einsichtsfähigkeit’ aan maar
het betwijfelde of er sprake was van ‘Verschulden’: 'Der Bekl. stand in einem
Alter, in dem Kinder erfahrungsgemäß vom Spieltrieb und von einer großen
Bewegungsfreude beherrscht sind. Spieltrieb und Bewegungsfreude können so
stark sein, daß alle "vernünftigen" Erwägungen hinweggespült werden.
(...). Ihm könnte Fahrlässigkeit nur vorgeworfen werden, wenn es einem Jungen
seines Alters und seiner Entwicklungsstufe in einer solchen Lage trotz dem starken
Aufforderungscharakter des wegfliegenden Balles möglich und zumutbar wäre, sich
der Einsicht gemäß zu verhalten (...). Nach der Lebenserfahrung muß das
bezweifelt werden.'[106]
Indien
een kind aansprakelijk is terwijl het daartegen niet verzekerd is, kan die
aansprakelijkheid tot een zeer langdurige zware financiële last leiden. Het
Landesgericht Dessau vroeg daarom aan het Bundesverfassungsgericht of het met
de grondwet verenigbaar is dat '... ein fahrlässiges Verhalten eines Kindes
oder Jugendlichen, das eine typische Jugendverfehlung darstellt, zu einer
existenzvernichtenden Haftung führen würde und die Befriedigung des Opfers von
dritter Seite gewährleistet ist.'[107] Het Bundesverfassungsgericht achtte
zich niet bevoegd om deze vraag te beantwoorden, omdat § 828 is ingevoerd
voordat de grondwet in 1949 in werking trad: BverfG
13 augustus 1998.[108]
Inmiddels
zijn in de Bondsdag voorstellen ingediend om de eigen schuld van kinderen tot
tien jaar bij weg-, spoor- of zweefbaanongelukken af te schaffen. Volgens deze
plannen zal een kind tot tien jaar ook niet meer op grond van de § 7 StVG, 1
HPflG en 823 e.v. BGB zelf aansprakelijk kunnen worden gesteld voor zulke
ongelukken.[109]
96. Deutsch, Unerlaubte Handlungen (1995), N 134; Münchener
Kommentar-Mertens (1997), § 828 N 3. Inmiddels is een wetsvoorstel in
behandeling waarin deze leeftijd wordt verhoogd naar 10 jaar.
97. Voor de toerekeningsvatbaarheid van doofstommen - dat zijn zij
die van kindsbeen aan doof zijn en daarom niet hebben leren spreken - geeft §
828 Abs. 2 dezelfde regel als voor jeugdigen: zie Münchener Kommentar-Mertens
(1997), § 828 N 12.
98. BGH 22 november 1966, VersR 1967, 158; zie ook BGH 21 mei 1963,
BGHZ 39, 281 en BGH 14 november 1978, NJW 1979, 864.
99. Deutsch, Unerlaubte Handlungen (1995), N 135.
100. Kötz, Deliktsrecht (1998), N 317. Zie ook Larenz, Lehrbuch des
Schuldrechts I (1987), § 20 VI, p. 294; Münchener Kommentar-Mertens (1997), §
828 N 13.
101. Münchener Kommentar-Mertens (1997), § 828 N 7.
102. BGH 21 mei 1963, BGHZ 39, 281; BGH 14 november 1978, NJW
1979, 864 en BGH 28 februari 1984, NJW 1984, 1958. Deutsch, Unerlaubte
Handlungen (1995), N 135; Münchener Kommentar-Mertens (1997), § 828 N 5; Erika
Scheffen, Zur Reform der (zivilrechtlichen) Deliktsfähigkeit von Kindern ab dem
7. Lebensjahr (§ 828 I, II BGB), ZRP 1991, p. 458-463.
103. Larenz, Lehrbuch des Schuldrechts I (1987), § 20 VI, p. 295.
104. Münchener Kommentar-Mertens (1997), § 828 N 7-10.
105. Deutsch, Unerlaubte Handlungen (1995), N 135; Münchener
Kommentar-Mertens (1997), § 828 N 11.
106. BGH 27 januari 1970, VersR 1970, 374; zie ook BGH 22 november
1966, VersR 1967, 158.
107. LG Dessau 25 september 1996, VersR 1997, 242. Zie hierover ook
Claus-Wilhelm Canaris, Die Verfassungswidrigkeit von § 828 II BGB als
Ausschnitt aus einem größeren Problemfeld, JZ 1990, p. 679-681; Hans-Jürgen
Ahrens, Existenzvernichtung Jugendlicher durch Deliktshaftung?, VersR 1997, p.
1064-1065 en Goecke, Die unbegrenzte Haftung Minderjähriger im Deliktsrecht
(1997).
108. BVerfG 13 augustus 1998, NJW 1998, 3557.
109. Bundestagsdrucksache 13/10435, 21. 4. 1998.