AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT
- C.C. van Dam
________________________________________
4 DUITSLAND
4.2.2 Rechterlijke
Tatbestände
409 Eer en privé-sfeer: das allgemeine
Persönlichkeitsrecht
Het wettelijke
Tatbestand-systeem bood ten slotte evenmin voldoende bescherming tegen de
aantasting van de persoonlijke levenssfeer en de eer en goede naam. De
rechtspraak voorzag pas na de Tweede Wereldoorlog in deze behoefte door de erkenning van ‘das allgemeine
Persönlichkeitsrecht’.
Het
Reichsgericht had voor de Tweede Wereldoorlog een algemene regel voor de bescherming
van eer en privé-sfeer steeds afgewezen. Na de oorlog werd het belang van een
effectieve bescherming op dit terrein duidelijker, niet alleen door de
gebeurtenissen in het Derde Rijk maar ook door de ontwikkeling van de
massamedia en de techniek.[61] In 1954, vijftig jaar na de erkenning door het
Reichsgericht van het ‘Recht am Gewerbebetrieb’, erkende het
Bundesgerichtshof daarom het bestaan van het ‘allgemeine Persönlichkeitsrecht’.
De
aanleiding hiervoor was een kritisch artikel in een weekblad over de oprichting
van een bank door Dr. Schacht, die onder Hitler minister van economische zaken
was geweest. Het weekblad publiceerde de rectificaties van diens advocaat in de
rubriek ‘Leserbriefe’, waarbij het een gedeelte van de brief wegliet, zodat het
leek of de advocaat zich persoonlijk voor de belangen van Schacht opwierp. De
advocaat vorderde hiervan (nu pro se) rectificatie en deze eis wees het Bundesgerichtshof
toe: 'Nachdem nunmehr das Grundgesetz das Recht des Menschen auf Achtung seiner
Würde (Art. 1 GrundG) und das Recht auf freie Entfaltung seiner Persönlichkeit
auch als privates, von jedermann zu achtendes Recht anerkennt (...), muß das
allgemeine Persönlichkeitsrecht als ein verfassungsmäßig gewährleistetes
Grundrecht angesehen werden.’ BGH 25 mei 1954
(Engelse vertaling: F.H. Lawson en B.S. Markesinis), BGHZ
13, 334 = NJW 1954, 1404 = JZ 1954, 698.[62]
Het
Bundesgerichtshof verklaart dit recht niet alleen van toepassing op het
afluisteren en opnemen van telefoongesprekken, het zonder toestemming
verstrekken van medische gegevens aan derden maar ook op het gebruik maken van
foto's voor commerciële doeleinden; in het laatste geval ging het om een foto
voor publiciteitsdoeleinden van andermans auto met daarop het eigen merk
‘Carrera’ geplakt.[63]
Het
‘Recht am Gewerbebetrieb’ en het ‘allgemeine Persönlichkeitsrecht’ zijn rechten
die aanzienlijk minder scherp zijn omschreven als de rechten uit § 823 Abs. 1.
Bij de vraag of er sprake is van een inbreuk op deze 'nieuwe' rechten kan
daarom niet met een feitelijke constatering worden volstaan maar moet een
belangenafweging plaatsvinden. Dat vond ook het Bundesgerichtshof toen het een
kredietregistratie-instituut niet aansprakelijk achtte voor het verstrekken
van onjuiste informatie: 'Bei der Verletzung des allgemeinen Persönlichkeitsrechts
kann eine Haftung nicht schon damit begründet werden, daß das Handeln des Täters
zu dem mißbilligten Erfolg geführt hat. Hier kann die Rechtswidrigkeit seines
Handelns erst aus der zu mißbilligende Art der Schädigung abgeleitet werden,
wobei es für dieses Urteil entscheidend auf die Abwägung der widerstreitenden
Belange ankommt.'[64]
61. Kötz, Deliktsrecht (1998), N 91; Esser-Weyers, Schuldrecht II
(1991), § 55 I 1d, p. 545.
62. BGH 25 mei 1954, BGHZ 13, 334, 338.
63. BGH 20 mei 1958, BGHZ 27, 284; BGH 2 april 1957, BGHZ 24, 72 en
BGH 26 juni 1981, BGHZ 81, 75. Esser-Weyers, Schuldrecht II (1991), § 55 I 1d,
p. 545; Kötz, Deliktsrecht (1998), N 626-636; Larenz-Canaris, Lehrbuch des
Schuldrechts II-2 (1994), § 80 II, p. 498 e.v.
64. BGH 20 juni 1978, NJW 1978, 2151.