AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT
- C.C. van Dam
________________________________________
4 DUITSLAND
4.1 Inleiding
401 Overzicht
Net als de andere
continentale rechtsstelsels kent het Duitse aansprakelijkheidsrecht een
onderscheid tussen foutaansprakelijkheid (Verschuldenshaftung) en
risico-aansprakelijkheid (Gefährdungshaftung). De eerste categorie is geregeld
in het Bürgerliches Gesetzbuch, de tweede in bijzondere wetten. De omvangrijke
Duitse rechtspraak en literatuur bieden een rijke bron van informatie en
inspiratie.
De foutaansprakelijkheid (unerlaubte Handlung)
wordt in Duitsland, anders dan in het Franse, Belgische en Nederlandse recht,
niet geregeerd door een algemene regel (Generalklausel) maar door drie
algemene regels met elk een beperkte strekking (Grundtatbestände) (§ 823
en 826 BGB). Waar in Frankrijk en België één aansprakelijkheidsvereiste
volstaat (‘faute’ of fout) en het Nederlandse recht er twee kent
(onrechtmatigheid en toerekening), stelt het Duitse recht drie vereisten:
‘Tatbestand’, ‘Rechtswidrigkeit’ en ‘Verschulden’.
Hoewel de Duitse wetgever de bedoeling had om
met dit systeem duidelijkheid te scheppen en de aansprakelijkheid binnen de
perken te houden, kwam daar in de praktijk niet veel van terecht. Het
opvallendste aspect van de foutaansprakelijkheid is de creatie door de
rechtspraak van de zogenaamde ‘Verkehrspflichten’. Deze verkeers- en
veiligheidsnormen zijn in de praktijk van groot belang en hebben in de literatuur
geleid tot een dogmatische strijd over de plaats van deze normen in het
wettelijk systeem (nr. 407).
De risico-aansprakelijkheid is volledig buiten
het BGB geregeld, met uitzondering van de risico-aansprakelijkheid van de
houder van een dier (§ 833). Het BGB kent wel diverse vormen van
foutaansprakelijkheid met omgekeerde bewijslast, in het bijzonder bij de
aansprakelijkheid voor kinderen en voor werknemers (nr. 416-417). Opmerkelijk
is, dat smartengeld alleen kan worden gevorderd op grond van
foutaansprakelijkheid en niet op grond van risico-aansprakelijkheid.
Het Bundesgerichtshof motiveert zijn
beslissingen doorgaans uitvoerig, waarbij discussies met de rechtsliteratuur
niet worden geschuwd. Rechterlijke uitspraken worden geanonimiseerd
gepubliceerd en gaan daardoor veelal naamloos door het rechtsleven. In de tekst
van de uitspraken worden in plaats van de partijnamen de termen ‘Kläger’ en
‘Beklagte’ gehanteerd.[1] Door de in Duitsland vrij sterke neiging om snel
naar de rechter te stappen,[2] is er een grote hoeveelheid doorgaans
uitstekend gemotiveerde rechtspraak beschikbaar over de meest uiteenlopende
gevallen.
De Duitse literatuur kenmerkt zich door haar
grondigheid en haar omvang. Discussies spelen zich niet zelden op de vierkante
millimeter af, waarbij het praktische belang niet altijd duidelijk is en soms
zelfs eenvoudigweg afwezig: theoretische discussies zijn in Duitsland bepaald
geen taboe. Voorbeelden hiervan zijn de hiervoor al gememoreerde strijd om de
plaats van de ‘Verkehrspflichten’ in het wettelijk systeem (nr. 407) en de
strijd om de verhouding tussen de vereisten ‘Rechtswidrigkeit’ en ‘Verschulden’
(nr. 411).
Kötz merkte over dit enthousiasme voor
dogmatische strijdvragen op: 'Wenn gleichwohl in der deutschen juristischen
Literatur zu dieser Frage ganze Ströme von Tinte vergossen worden sind, so
liegt das einmal an dem hierzulande stark ausgebildeten Hang zum durchleiden
rechtswissenschaftlicher Kontroversen, zum anderen daran, daß das in Rede stehende
Problem fraglos von hohem theoretischen Reiz ist.'[3]
Tegenover deze soms wat ver doorgevoerde
behoefte aan doordenken staat, dat vrijwel alle problemen die zich in het
aansprakelijkheidsrecht hebben voorgedaan overzichtelijk in kaart zijn gebracht
door ‘ordnungsgemäß’ ingestelde juristen, bij wie met name ‘aufgegliederte
Fallgruppen’ geliefd zijn. De literatuur bestaat uit een aantal grote kommentaren,
vele handboeken en talloze monografieën, dissertaties en studieboeken. In
dit opzicht staat het Duitse recht rechtsvergelijkend gezien op eenzame
hoogte.[4]
1. Kötz, Die Begründung höchstrichterlicher Urteile (1982), p.
12-14.
2. Zie hierover onder meer Simsa, Die gerichtliche und
außergerichtliche Regulierung von Verkehrsunfällen in Deutschland und den
Niederlanden (1995).
3. Kötz, Deliktsrecht (1998), N 99; zie ook Esser-Weyers,
Schuldrecht II (1991), § 55 II 3b, p. 558.
4. Zie ook B.S. Markesinis, A
Comparative Introduction to the German Law of Torts (1994).