AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

Hof van Cassatie 19 december 1991 (Anca)

TBBR 1992, p. 60-73

Bron: www.cass.be

 

Samenvatting

In de huidige stand van de wetgeving kan de Staat op basis van de artt. 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, in de regel, aansprakelijk worden verklaard voor de schade ten gevolge van een door een rechter of een ambtenaar van het O.M. begane fout, wanneer die magistraat binnen de grenzen van zijn wettelijke bevoegdheden heeft gehandeld of ieder redelijk en voorzichtig mens moet aannemen dat hij binnen die grenzen heeft gehandeld; indien die handeling het rechtstreekse voorwerp is van de rechtsprekende functie, is de vordering tot vergoeding van de schade echter, in de regel, slechts ontvankelijk, als de litigieuze akte bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen is wegens schending van een gevestigde rechtsnorm en derhalve geen gezag van gewijsde meer heeft; binnen die grenzen is de aansprakelijkheid van de Staat voor een schadeverwekkende handeling van de rechterlijke macht niet strijdig met grondwettelijke of wettelijke bepalingen, en evenmin onverenigbaar met de beginselen van de scheiding der machten en van het gezag van het rechterlijk gewijsde, of met de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en van de magistraten ervan, die de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de procedure inzake verhaal op de rechter willen beschermen.

 

Arrest

HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 21 november 1989 door het Hof van Beroep te Brussel gewezen;

Over het middel: schending van de artikelen 6.1, 13 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, 1 van het Protocol bij het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Parijs op 20 maart 1952 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, 25, 29, 30, 67, 92, 93 van de Grondwet, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek,

doordat het arrest het beroepen vonnis, dat de vordering van de eisers niet-ontvankelijk verklaart, bevestigt op grond, enerzijds, dat krachtens de beginselen van de onafhankelijkheid van de Rechtelijke Macht en van de scheiding der machten, de rechter buiten de bij artikel 1140 van het Gerechtelijk Wetboek limitatief opgesomde gevallen niet aansprakelijk kan worden gesteld voor zijn beslissingen, en dat ook het gezag van het rechtelijke gewijsde verhindert dat de rechter persoonlijk aansprakelijk kan worden verklaard voor de beslissingen die hij uitspreekt, aangezien die beginselen van scheiding der machten, van bescherming van de rechter, van de onafhankelijkheid van zijn ambt en van de ermee samenhangende wettelijke onschendbaarheid een geheel vormen, de aan de rechter verleende onschendbaarheid zelf niet te scheiden is van het probleem van de aansprakelijkheid van de Staat, Rechterlijke Macht, die dus niet aansprakelijk kan worden verklaard voor fouten, die rechters, optredend in het kader van hun ambt, en als organen van de Staat hebben begaan en, anderzijds, dat de eisers zich niet op artikel 13 van het Europees Verdrag kunnen beroepen om te betogen dat zij tegen verweerder een vordering kunnen instellen, nu die bepaling geen rechtstreekse werking heeft in onze interne rechtsorde en dat bovendien, ook al diende te worden aangenomen dat die bepaling rechtstreekse werking heeft, er dan nog beperkingen mogelijk zijn op die werking ervan, namelijk beperkingen die onder meer voortvloeien uit de hoedanigheid van de betrokkene, wanneer deze een onschendbaarheid geniet of die verkrijgt voor de noodzakelijkheid van de goede werking van de instelling waarvan hij deel uitmaakt; het derhalve niet strijdig is met het Europees Verdrag elke vordering uit te sluiten tegen de rechters zelf en tegen de Belgische Staat, dat wil zeggen de Rechterlijke Macht in zijn geheel, waarvan de magistraten de organen zijn,

terwijl, eerste onderdeel, artikel 92 van de Grondwet de kennisneming van alle geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting aan de hoven en rechtbanken heeft toegekend, ongeacht de hoedanigheid van de partijen; de Staat en elk van de machten waaruit deze bestaat onderworpen zijn aan rechtsregels en onder meer aan de rechtsregels betreffende de vergoeding van de schade ten gevolge van fouten waardoor de subjectieve rechten en de wettige belangen van particulieren worden aangetast; de rechtsvordering van de eisers ertoe strekte van de Staat vergoeding te verkrijgen voor de schade die zij hebben gelden wegens het faillissement van de P.V.B.A. Anca, dat in strijd met artikel 6 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden door de magistraten van de Rechtbank van Koophandel te Brussel is uitgesproken; de staat krachtens artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk is wanneer een van zijn organen binnen het kader van zijn bevoegdheden een fout heeft begaan; de magistraten organen zijn van de Staat; geen grondwettelijke of wettelijke bepaling en evenmin enig algemeen rechtsbeginsel eraan in de weg staat dat de Staat aansprakelijk is voor een fout die magistraten in de uitoefening van hun rechtsprekende functie hebben begaan; het arrest, door de vordering van de eisers tegen verweerder strekkende tot vergoeding van de schade die zij hadden geleden ten gevolge van een fout die magistraten in de uitoefening van de rechtsprekende functie hadden begaan, niet ontvankelijk te verklaren, derhalve alle in het middel aangewezen wettelijke bepalingen schendt, met uitzondering van de artikelen 6 en 13 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en 1 van het Protocol bij dat Verdrag;

tweede onderdeel, artikel 13 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden rechtstreekse werking heeft in de Belgische interne rechtsorde; als moet worden aangenomen dat beperkingen kunnen gesteld worden op de uitoefening van het recht op daadwerkelijke rechtshulp, die beperkingen echter niet zonder meer kunnen verhinderen dat tegen de Staat een aansprakelijkheidsvordering wordt ingesteld wegens een fout van een rechtsprekend orgaan (schending van de artikelen 6.1 en 13 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en 1 van het Protocol bij dat Verdrag):

Wat het eerste onderdeel betreft:

Overwegende dat, door de kennisneming van geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting aan de hoven en rechtbanken toe te kennen, artikel 92 van de Grondwet alle burgerlijke rechten onder de bescherming van de Rechterlijke Macht stelt; dat ter verwezenlijking van die bescherming, de Grondwetgever geen rekening heeft gehouden met de hoedanigheid van de gedingvoerende partijen en evenmin met de aard van de handelingen waardoor een recht wordt geschonden, maar wel en uitsluitend met de aard van het recht waarover het geschil loopt;

Overwegende dat de Staat, zoals de burgers, onderworpen is aan rechtsregels, inzonderheid die welke betrekking hebben op de vergoeding van schade ten gevolge van fouten waardoor de subjectieve rechten en de wettige belangen van personen worden aangetast;

Overwegende dat de schadeverwekkende fout van een orgaan van de Staat, in de regel, de Staat rechtstreeks aansprakelijk stelt op basis van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, wanneer het orgaan binnen de grenzen van zijn wettelijke bevoegdheden heeft gehandeld of wanneer ieder redelijk en voorzichtig mens moet aannemen dat het orgaan binnen die grenzen heeft gehandeld;

Overwegende dat de beginselen van de scheiding der machten, van de onafhankelijkheid van de Rechterlijke Macht en van de magistraten ervan, alsmede van het gezag van het rechterlijk gewijsde niet inhouden dat de Staat in het algemeen ontheven zou zijn van zijn verplichting om op basis van voormelde wetsbepalingen de schade te vergoeden die door zijn fout of door die van een zijner organen aan derden is veroorzaakt in de openbare dienst van de rechtsbedeling, met name bij het verrichten van handelingen die het rechtstreekse voorwerp zijn van de rechtsprekende functie;

Overwegende dat de artikelen 1140 tot 1147 van het Gerechtelijk Wetboek, die de procedure regelen inzake verhaal op de rechter, slechts van de gemeenrechtelijke regeling in de artikelen 1328 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek afwijken voor wat de persoonlijke aansprakelijkheid van de rechters en de ambtenaren van het openbaar ministerie betreft; dat daaruit niet valt af te leiden dat de Staat nooit aansprakelijk zou zijn op basis van die bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, wanneer, in de gevallen waarin verhaal op de rechter mogelijk is of buiten die gevallen, een rechter of een ambtenaar van het openbaar ministerie in de uitoefening van zijn ambt een schadeverwekkende fout begaat;

Dat de aansprakelijkheid van de staat immers niet noodzakelijk wordt uitgesloten omdat de aansprakelijkheid van zijn orgaan zelf voor de schadeverwekkende handeling die het heeft verricht, niet in het gedrang kan komen, ofwel omdat het orgaan niet bekend is, ofwel omdat de handeling niet als een fout van het orgaan kan worden aangemerkt wegens een onoverkomelijke dwaling van dit orgaan of een andere hem eigen grond van ontheffing van zijn aansprakelijkheid, ofwel omdat die handeling een fout is maar het orgaan persoonlijk ontheven is van de aansprakelijkheid waartoe ze aanleiding kan geven;

Dat in de huidige stand van de wetgeving van de Staat, in de regel, op basis van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk kan worden verklaard voor de schade ten gevolge van een door een rechter of een ambtenaar van het openbaar ministerie begane fout, wanneer die magistraat binnen de grenzen van zijn wettelijke bevoegdheden heeft gehandeld of ieder redelijk en voorzichtig mens moet aannemen dat hij binnen die grenzen heeft gehandeld; dat echter, indien die handeling het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie, de vordering tot vergoeding van de schade, in de regel, echter slechts ontvankelijk is als de litigieuze akte bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen is wegens schending van een gevestigde rechtsnorm en derhalve geen gezag van gewijsde meer heeft;

Dat binnen die grenzen de aansprakelijkheid van de Staat voor de schadeverwekkende handeling van de Rechterlijke Macht niet strijdig is met de grondwettelijke of wettelijke bepalingen, en evenmin onverenigbaar is met de beginselen van de scheiding der machten en van het gezag van het rechterlijk gewijsde; dat die aansprakelijkheid evenmin onverenigbaar is met de onafhankelijkheid van de Rechterlijke Macht en van de magistraten ervan, die de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de procedure van verhaal op de rechter willen beschermen, nu die onafhankelijkheid blijkbaar voldoende gewaarborgd is door de wettelijke onmogelijkheid om magistraten persoonlijk aansprakelijk te stellen buiten de gevallen waarin zij strafrechtelijk zijn veroordeeld en de gevallen waarin verhaal op de rechter mogelijk is;

Overwegende dat, nu het hof van beroep vaststelt dat de magistraten van de rechtbank van koophandel, die de personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid Anca ambtshalve failliet hebben verklaard, als organen van de Belgische Staat zijn opgetreden binnen de grenzen van hun wettelijke bevoegdheden en dat het faillissement bij een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Hof van Beroep te Brussel d.d. 16 december 1982, werd ingetrokken omdat de rechtbank van koophandel het beginsel van de openbaarheid en het contradictoir karakter van de debatten had miskend, het bestreden arrest waarbij de schadevergoedingsvordering van de eisers niet ontvankelijk wordt verklaard op grond dat het ontvankelijk verklaren van die vordering zou neerkomen op miskenning van het gezag van het rechterlijk gewijsde en op de schending van de beginselen van de scheiding der machten en van de onafhankelijkheid van de Rechterlijke Macht en van de magistraten ervan, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt;

Dat het onderdeel gegrond is;

Om die redenen, zonder dat er grond bestaat tot onderzoek van het tweede onderdeel van het middel, dat niet tot ruimere cassatie zou kunnen leiden, vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart; beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over; verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Luik.

 

Naar boven     Inhoud     Home