AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

3        BELGIË

 

3.2    Strengere vormen van aansprakelijkheid

 

309   Vergoeding van schade door motorrijtuigen

 

Sinds 1995 rust op de WAM-verzekeraar van de bestuurder of houder van een bij een verkeersongeval betrokken motorrijtuig een vergoedingsplicht jegens fietsers, voetgangers en passagiers. Deze regeling is voor een belangrijk deel ontleend aan de Franse ‘loi Badinter’.

 

Tot 1995 werd in België de verkeersaansprakelijkheid afgewikkeld met behulp van de art. 1382-1384. Deze gang van zaken was al sinds de jaren dertig onderwerp van kri­tiek.[61] Uiteindelijk was het echter niet alleen de zorg voor de bescherming van het verkeersslachtoffer maar ook voor de positie van de sociale zekerheidskassen die tot de huidige zogenaamde 'art. 29bis WAM-regeling' leidde. De gedachte van de regering was name­lijk dat door een ruimere aansprakelijkheid en een daaraan gekoppeld subrogatie­recht van de ziekte- en de arbeidsongevallenverzekeraar een groter deel van de sociale uitkeringen kon worden afgewenteld op de particuliere WAM-verzekeraars. De tot­standkoming van de wet verliep turbulent.[62]

 

De hoofdregel van deze regeling houdt in, dat de voetgangers, fietsers en passagiers recht hebben op vergoeding van de letsselschade die zij lijden door een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig is betrokken (art. 29bis § 1 lid 1). Onder motorrijtuigen in deze zin vallen niet trams, treinen en rolstoelen met een eigen aandrijving (art. 29bis § 3). In 1998 heeft het Arbitragehof echter beslist, dat artikel 29bis een schending vormt van de art. 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de voertuigen die aan spoorstaven zijn verbonden uitsluit van het stelsel van vergoeding waarin het voorziet. Het Hof overwoog onder meer: ‘In de XIXde eeuw werd ten gevolge van de opkomst van de spoorvoertuigen een regelgeving uitgewerkt, nog vóór dat het geval was voor het wegverkeer in het algemeen, te meer daar die voertuigen snel het grootste deel van het openbaar vervoer voor hun rekening namen. Het lag dan ook voor de hand dat de algemene regeling van de politie op het wegverkeer, die van latere datum is, de spoorvoertuigen uit haar werkingssfeer weerde. Maar daarom is het nog niet verantwoord dat de regelen betreffende de gevolgen van het verkeer nog steeds worden opgevat zonder rekening te houden met de spoorvoertuigen, ongeacht het probleem. (…). Weliswaar kan worden aanvaard dat de spoorvoertuigen onderworpen zijn aan regels van politie op het wegverkeer die afwijken van die welke op de andere voertuigen toepasselijk zijn, bijvoorbeeld omdat hun traject voorspelbaar is en hun mobiliteit alsmede hun remvermogen beperkter zijn, maar het is geenszins aangetoond dat de spoorvoertuigen een risico met zich meebrengen dat zodanig kleiner is dat het instellen van een fundamenteel verschillende schadevergoedingsregeling verantwoord is.’ Zie Arbitragehof 15 juli 1998, BStb. 1998, 197, p. 34070-34075, RDCB 1998, p. 652. Zie voor deze problematiek in Nederland  nr. 1307: Toepassingsvoorwaarden en nr. 1311: Toepassingsgebied.

 

Voorts behoort de bestuurder van een motorrijtuig niet tot de beschermde verkeersdeelne­mers; hij moet zijn schade derhalve verhalen met behulp van de art. 1382-1384. Dit geldt ook voor de schadevergoeding bij ongevallen tussen niet-gemotoriseer­de verkeersdeelne­mers, voor de vergoeding van zaakschade en voor de regresvorderingen van anderen dan de ziekte- en arbeidsongevallenverzekeraar.[63]

 

De vereisten verkeersongeval en betrokkenheid vormen nauwelijks een beperking van het toepassingsgebied van de regeling. Voor het begrip verkeersongeval ('WAM-risico') wordt aangesloten bij de jurisprudentie van het Benelux Gerechtshof; dat spreekt min of meer vanzelf nu het hier om een regeling in de WAM gaat.[64]

 

Het begrip betrokkenheid is rechtstreeks ontleend aan de Franse loi Badinter. Bij de uitleg van dit begrip kan derhalve acht worden geslagen op de jurisprudentie die in Frankrijk met betrekking tot het begrip ‘implication’ is gevormd (nr. 217: Verkeersaansprakelijkheid: ‘loi Badinter’).[65] De proble­men concentreren zich met name op de vraag of een stilstaand of een gepar­keerd voer­tuig betrokken kan zijn bij een verkeersongeval. Op dit punt is de rechtspraak vooralsnog nog niet tot klaarheid gekomen, wat gezien de daarvoor beschikbare korte tijd geen verwon­dering wekt.[66]

 

Voetgangers, fietsers en passagiers die een onverschoonbare fout hebben begaan die bovendien de enige oorzaak van het ongeval was, hebben geen recht op schadevergoe­ding. Deze regel is rechtstreeks ontleend aan de omschrijving die de Franse Cour de cassation gaf van de term ‘faute inexcusable’ in de loi Badinter (nr. 217: Verkeersaansprakelijkheid: ‘loi Badinter’), en die is opgenomen in art. 29bis § 1 lid 6: 'Enkel de opzettelijke fout van uitzonderlijke ernst, waardoor degene die ze begaan heeft zonder geldige reden wordt blootgesteld aan een gevaar waarvan hij zich bewust had moeten zijn, is onverschoonbaar.' Ongelukkigerwijs is 'la faute volon­taire' hier ten onrechte vertaald met 'de opzettelijke fout'. In de literatuur wordt betoogd, dat opzet niet vereist is maar wel dat het slachtoffer de fout uit vrije wil beging.[67] Anders dan in de loi Badinter kan slechts aan personen jonger dan 14 jaar een onverschoonbare fout niet worden tegengeworpen (art. 29bis § 1 lid 7).

 

De aansprakelijke persoon is niet de eigenaar, houder of bestuurder van het motorrij­tuig maar diens WAM-verzekeraar. In deze constructie wordt zowel een verze­kering ten behoeve van een derde als een objectieve aansprakelijkheid van de WAM-verzekeraar ge­zien.[68] Dit resultaat is niet alleen een fraai voorbeeld van compro­mis-politiek (niet de minst ontwikkelde kwaliteit van de Belgische wetgever) maar ook van de verschillende wegen die naar het gewenste doel van een betere regeling voor de schadevergoeding aan verkeersslachtoffers kunnen leiden.

 

61. Zie met name Simoens, Vergoeding voor verkeersslachtoffers. Naar een grondige hervorming? (1979) en voorts nr. 304 inzake de theorie van Procureur-Generaal Leclercq.

62. H. Bocken en I. Geers, De vergoeding van letselschade en schade door overlijden bij verkeerson­gevallen, TPR 1996, p. 1199-1263; B. Tuerlinckx, Artikel 29bis W.A.M.-Wet: Toepas­sing in de praktijk na de wetswijziging van 13 april 1995, TPR 1996, p. 11-27; De Haas en Hartlief, Ver­keersaansprakelijkheid (1998), p. 66-74; Engelhard en Van Maanen, Aansprakelijkheid voor ver­keersongevallen (1998), p. 23 e.v.; M. Faure en T. Hartlief, Een nieuwe regeling van de verkeers­aansprakelijkheid in België: lessen voor Nederland?, VR 1995, p. 257-260.

63. Bocken en Geers, TPR 1996, 84-85 en 91-93.

64. Cornelis, De objectieve aansprakelijkheid voor motorrijtuigen, RW 1998-1999, p. 524-525 en voorts Tuerlinckx, TPR 1996, p. 14-20 en Bocken en Geers, TPR 1996, p. 104-105.

65. Dichtbij de Franse uitleg blijven Tuerlinckx, TPR 1996, p. 23-27 en Hubert Claassens en Caroline Van Schou­broeck, De Belgische schadevergoedingsregeling voor zwakke weggebruikers in de ver­plichte autoverzekering, VR 1997, p. 361. Enigszins anders: Bocken en Geers, TPR 1996, p. 108.

66. Claassens en Van Schoubroeck, Praktische ervaring met de Belgische schadevergoedingsregeling voor zwakke weggebruikers in de autoverzekering (1998), p. 93.

67. L. Cornelis, De objectieve aansprakelijkheid voor motorrijtuigen, RW 1998-1999, p. 529; Tuerlinckx, TPR 1996, p. 52-53.

68. Respectievelijk Bocken en Geers, TPR 1996, p. 118 en Cornelis, RW 1998-1999, p. 534-537.

 

Naar boven    Inhoud      Home