AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

3        BELGIË

 

3.1    Foutaansprakelijkheid

 

302   Algemene zorgvuldigheidsnorm en voorzienbaarheid

 

Het centrale vereiste voor een fout is de miskenning van een algemene zorgvuldigheidsnorm. In het alge­meen is daarvan sprake indien iemand zich niet heeft gedragen zoals van een goede huisvader mag worden verwacht. Voorts is vereist dat enige schade voorzienbaar was maar de rechtspraak stelt hieraan in het algemeen geen strenge eisen.

 

In de literatuur wordt voor het vaststellen van een fout als criterium gehanteerd hoe een normaal voorzichtige en redelijke persoon in dezelfde feitelijke omstandigheden geplaatst, zou hebben gehandeld.[1] Daarnaast wordt ook wel betoogd dat het vergelijkingstype wordt gevormd door ‘le bon père de famille’, '... c'est-à-dire un type d'homme abstrait, raisonnable, normalement soigneux et prudent, transposé dans une situation similaire appréciée concrètement. Cette appréciation se limite en théorie aux seules circonstances externes qui ont entouré l'agent, soit celles qui se rapportent à la région, au milieu, à l'époque, aux circonstances atmosphériques, à la classe sociale, aux habitudes sociales.'[2] Cornelis concentreert zich op de externe omstandigheden waarin de veroorzaker zich bevindt: 'Het foutbegrip is om die reden ook relatief te noemen: de inhoud ervan is immers afhankelijk van de feitelijke omstandighe­den waarin de aangesprokene zich bevond. Niet alleen zullen die feitelijke omstandighe­den van geval tot geval verschillen, maar eenzelf­de gedrag zal, naargelang de in aanmer­king te nemen feitelijke omstandighe­den, ten aan­zien van één rechtssubject wel en ten aanzien van een ander rechtssubject niet foutief zijn, omdat zij zich wellicht in verschil­lende feitelijke omstandigheden bevin­den.'[3]

 

Er wordt geen rekening gehouden met persoonlijke eigenschappen, zoals leeftijd, ge­slacht of ervaring. Indien een kind de jaren des onderscheids heeft bereikt en dus toere­keningsvatbaar is, mag diens aansprakelijkheid dus niet stranden op de jeugdige leef­tijd.[4]

 

Ten aanzien van de beroeps- en de overheidsaansprakelijkheid is vroeger wel bepleit om bij de beoordeling van het gedrag slechts een marginale toetsing toe te passen; deze zienswijze is thans echter verlaten.[5] Indien het gaat om bijzondere deskundigheden, zoals die van een geneesheer, een advocaat of een bankier, vindt een vergelijking plaats met een normaal voorzichtige en redelijke geneesheer, advocaat of bankier.[6]

 

Naast toerekeningsvatbaarheid en de schending van een algemene zorgvuldigheids­norm is de voorzienbaarheid van enige schade het derde vereiste van de fout. Over de in­houd en reikwijdte van dit begrip bestaan echter de nodige meningsverschillen.[7] Het Hof van Cassatie stelt zich op het standpunt dat de voorspelbaarheid van de mogelijkheid van enigerlei schade volstaat: 'Suivant la jurisprudence constante de la Cour de cassation, il suffit que le dommage constitue une conséquence possbile du comportement et que cette possibilité soit prévue, en matière telle que l'agent n'est responsable que s'il pouvait prévoir le préjudice et n'a pas pris les mesures nécessaires pour le prevenir.'[8] In een arrest uit 1990 ging het om amfetaminehandel, waarvan het volgens het Hof van Cassatie voorzienbaar was dat '... la vente incontrôlée par quantités de dix grammes à la fois pour un usage indéterminée était susceptible de causer des accidents mortels.'[9]

 

1. Cass. 15 mei 1941, Pas. 1941. I. 192; Cass. 30 april 1976, Pas. 1976. I. 944; Cass. 21 maart 1986, Pas. 1986. I. 910; Dalcq, Traité de la responsabilité civile I (1967), p. 165-166, nr. 260-267; De Page, Traité élémentaire de droit civil belge II (1964), p. 943, nr. 944; Cornelis, Beginselen van het Belgische buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht (1989), nr. 21.

2. R.O. Dalcq en Geneviève Schamps, Examen de ju­risprudence (1987 à 1993), La responsabi­lité délictuelle et quasi délictuel­le, RCJB 1995, p. 537-538.

3. Cornelis, Beginselen van het Belgische buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht (1989), nr. 21.

4. Cass. 24 oktober 1974, Pas. 1975. I. 237. Dalcq, Traité de la responsabilité civile I (1967), p. 183-184, nr. 314-320; Cornelis, Beginselen van het Belgische buitencontractuele aansprakelijkheids­recht (1989), nr. 21; R. Vandeputte, Het aquiliaans foutbegrip (1983), p. 16, nr. 7.

5. Cornelis, Beginselen van het Belgische buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht (1989), nr. 35.

6. Cass. 30 april 1976, Pas. 1976. I. 944; Cass. 21 september 1979, Pas. 1980. I. 100. Dalcq en Schamps, RCJB 1995, p. 540-542.

7. Cass. 12 november 1951, Pas. 1952. I. 128; Cass. 13 juni 1978, Pas. 1978. I. 1169; Dalcq, Traité de la responsabilité civile I (1967), p. 180-181, nr 309-310; Cornelis, Beginselen van het Belgische buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht (1989), nr. 25; H. Vandenberghe, De grondslag van contractue­le en extra-contractuele aansprake­lijk­heid voor eigen daad, TPR 1984, p. 132-133.

8. Dalcq en Schamps, RCJB 1995, p. 536.

9. Cass. 8 augustus 1990, Pas. 1990. I. 1260.

 

Naar boven    Inhoud      Home