AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

3        BELGIË

 

3.1    Foutaansprakelijkheid

 

301   Inleiding

 

Net als het Franse recht en anders dan het Nederlandse recht maakt het Belgische recht als zodanig geen onderscheid tussen onrechtmatigheid en toereke­ning. Het foutver­eiste omvat beide begrippen. Aan de uitleg van het foutbegrip lever­de het Hof van Cassatie slechts een bescheiden bijdrage.

 

De grondslag van de persoonlijke aansprakelijkheid wordt gevormd door de fout. Dit begrip vormt de samenvatting van de in de art. 1382 en 1383 gebezigde termen schuld, daad, nalatigheid en onvoorzichtigheid. Het oorspronkelijke onderscheid, waarbij art. 1382 ziet op opzettelijk toegebrachte schade en art. 1383 op schade door nalatigheid of onvoorzichtigheid, is inmiddels verlaten. De literatuur onderscheidt drie elementen van het foutbegrip: miskenning van een algemene zorgvuldigheidsnorm, voorzienbaarheid van schade en toerekeningsvatbaarheid.[1]

 

Het Hof van Cassatie speelt bij de rechtsvorming met betrekking tot de duiding van het foutbegrip een bescheiden en soms ook verwarrende rol. Weliswaar wordt het foutbe­grip beschouwd als een wettelijk begrip maar het toezicht van de cassatierechter op de feitenrechter neigt op dit terrein naar een marginale toetsing. Niet de beoordeling van de feiten, maar de beoordeling van de beoordeling door de rechter van de feiten komt aan het Hof van Cassatie toe. Om die reden moet het Hof van Cassatie de feitenrechter een be­oordelingsvrijheid laten, zodat zijn beslissing slechts is te sanctioneren wanneer is vast te stellen dat geen normaal voorzichtige en redelijke rechter, op grond van de in de be­streden beslissing vermelde feiten, tot eenzelfde besluit zou zijn gekomen. In die veron­der­stelling dienen de in aanmerking genomen feiten met het besluit van de rechter ‘kenne­lijk onverenig­baar’ te zijn.[2]

 

Een uitzondering op de bescheidenheid van het Hof van Cassatie vormt het Anca-arrest.[3] Hierin besliste de cassatierechter, dat de Staat op grond van art. 1382 civielrech­telijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de schade veroorzaakt door fouten van magistraten die zij begaan in de uitoefening van hun functie. De rechters of leden van het Openbaar Ministerie kunnen echter in de regel niet persoonlijk aansprakelijk worden gehouden voor deze fouten.

 

De terughoudende rol van het Hof van Cassatie verklaart waarom op het gebied van de fout, maar ook meer in het algemeen op het gebied van het aansprakelijkheidsrecht, het aantal richtinggevende uitspraken bescheiden is. Dit strookt met de Belgische traditie van geringe centrale sturing en gering centraal gezag. Het gevolg is, dat uitspraken van feitenrechters in vergelijkbare zaken uiteenlopen en dat de voorspelbaarheid van die uitspraken betrek­kelijk gering is. Daar komt bij, dat de inhoudelijke uitspraken die het Hof wel wijst niet altijd uitblinken in duidelijkheid: zo lijken uitspraken over hetzelfde onderwerp soms inconsistent, bijvoorbeeld omdat formuleringen op onderde­len afwijken zonder dat het Hof daar zelf een duidelijke reden voor geeft (nr. 303 en nr. 306).

 

In het alge­meen hebben de uitspraken van de Belgische cassatierechter de apodictische stijl van de Franse Cour de cassation. Door dit alles kenmerken verdeeldheid en rechtsonzekerheid voor een belangrijk deel de Belgische jurisprudentie op het gebied van het aansprakelijk­heidsrecht.

 

Sinds de grondwetsherziening van 1992 heeft de nationale wetgever zijn exclusieve be­voegdheid op het gebied van het aansprakelijkheidsrecht verloren. Ook de gewesten kun­nen nu aansprakelijkheidsregels uitvaardigen, onder meer op het gebied van het milieu­recht en meer in het bijzonder de bodemsanering.[4]

 

1. Cornelis, Beginselen van het Belgische buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht (1989), nr 12-13.

2. Cass. 22 maart 1988, Pas. 1988. I. 877; Cass. 3 februari 1989, Pas. 1989. I. 594; Cass. 8 oktober 1992, Pas. 1992. I. 1124. F. Dumon, De motivering van de vonnissen en arresten en de bewijs­kracht van de akten, RW 1978-79, p. 311, noot 202a; P. Legros, Le contrôle de la Cour de cassa­tion sur la qualification de la faute en matičre aquilienne, RGAR 1977, no 9692; Cornelis, Beginselen van het Belgische buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht (1989), nr 37.

3. Cass. 19 december 1991, TBBR 1992, p. 60-73. Zie uitvoerig over dit onderwerp A. van Oevelen, De overheidsaansprakelijkheid voor het optreden van de rech­terlijke macht, Serie Aansprakelijkheidsrecht deel 4, Maklu, Antwerpen/Apel­doorn, 1989.

4. H. Bocken, Kroniek van het Belgisch privaatrecht 1991-1992, NTBR 1994, p. 150.

 

Naar boven    Inhoud      Home