AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

2        FRANKRIJK

 

2.3.2 Aansprakelijkheid voor personen (la responsabilité du fait d’autrui)

 

218   Aansprakelijkheid voor kinderen

 

Art. 1384 al. 4 CC legt op de ouders een foutaansprakelijkheid met omgekeerde bewijslast voor de door hun kinderen aangerichte schade. Voor disculpatie is het bewijs van voldoende toezicht of opvoeding niet meer afdoende: de ouders moeten overmacht of eigen schuld van de benadeelde aantonen.

 

Op grond van art. 1384 al. 4 zijn de vader en moeder aansprakelijk voor de schade die is veroorzaakt door hun minderjarige kind (jonger dan 18 jaar), dat thuis woont en waar­over zij de ouderlijke macht uitoefenen.[147] De schade moet voortvloeien uit een on­recht­matige gedraging (un acte objectivement illicite) van het kind, uit een gedraging van de zaak (fait de la chose) waarvan het kind ‘gardien’ is of uit een gedra­ging die de directe oorzaak van de schade is (un acte qui soit la cause directe du domma­ge). In laatstgenoemde zin reeds Ass. plén. 9 mei 1984 (Fullenwarth), JCP 1984. II. 20255, note Dejean de la Bathie, D. 1984. 525, note Chabas, RTC 1984, 509, obs. Huet.[148]

 

Art. 1384 al. 4 is volgens de Cour de cassation alleen van toepassing op de ouders en niet ook op de grootouders of andere familieleden en evenmin op de voogd.[149] Uit een uitspraak van de Chambre criminelle uit 1996 kan echter vermoedelijk worden afge­leid, dat dergelijke personen (en meer in het algemeen iedere natuurlijke persoon aan wie de zorg voor een kind bij rechterlijke beslissing is toevertrouwd) aansprakelijk kunnen zijn op grond van art. 1384 al. 1 (nr. 220: Algemene risico-aansprakelijkheid voor personen).[150]

 

Tot 1997 konden de ouders het wettelijk vermoeden van aansprakelijkheid conform art. 1384 al. 7 weerleggen door aan te tonen, dat de schade niet was veroorzaakt door een ‘faute de surveillance’ of een ‘faute d'éducation’.[151] Daarbij speelde de leeftijd van het kind een belangrijke rol: bij kinderen boven de zestien jaar was het wettelijk vermoeden doorgaans wel te ontzenu­wen.[152] De gevolgen van gevaarlijke en niet noodzakelijke acti­viteiten, zoals spel en amusement, kwamen echter in het algemeen voor rekening van de ou­ders.[153]

 

Was het sinds het Fullenwarth-arrest uit 1984 al twijfelachtig of de Cour de cassation aan deze uitleg zou vasthouden,[154] in 1997 verschafte het hof op dit punt helderheid door de disculpatiemogelijkheid van de ouders danig te beperken: '... seule la force majeure ou la faute de la victime pouvait exonérer le père de la responsabi­lité de plein droit encourue du fait des dommages causés par son fils mineur habitant avec lui'.[155] Na dit arrest helpt het disculpatiebewijs van voldoende toezicht of voldoende opvoeding de ouders niet meer: zij dienen over­macht of eigen schuld van de benadeel­de aan te tonen: Civ. 2e 19 februari 1997, D. 1997. 265, note Jourdain, JCP 1997. II. 22848, note Viney, RTC 1997, 668. Deze koerswij­ziging van de Cour de cassation heeft vooral praktische gevolgen voor de aan­sprakelijk­heid van ouders voor oudere kinderen, die nu in veel minder geval­len kan worden voorkomen. Deze ontwikkeling heeft ertoe geleid, dat de wetgever de ouders heeft verplicht om een aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten.[156]

 

147. Terré-Simler-Lequette, Les obligations (1996), nr. 783-785; Carbonnier, Les obligations (1998), § 237, p. 408-409.

148. Zie respectievelijk Civ. 2e 16 juli 1969, RTC 1970, 575, obs. G. Durry; Civ. 2e 10 februari 1966, D. 1966. 332, JCP 1968. II. 15506, note A. Plancquéel; Ass. plén. 9 mei 1984 (Fullenwarth), D. 1984. 525, note F. Chabas, JCP 1984. II. 20255, note N. Dejean de la Bathie.

149. Civ. 2e 25 januari 1995, D. 1995. SC. 232, note Delebecque.

150. Crim. 10 oktober 1996, D. 1997. 309, note M. Huyette, JCP 1997. II. 22833. Aldus Viney-Jour­dain, Conditions de la responsabilité (1998), nr. 874.

151. Zie onder meer Civ. 2e 12 oktober 1955, D. 1956. 301, note R. Rodière, JCP 1955. II. 9003, note P. Esmein. Terré-Simler-Lequette, Les obligations (1996), nr. 786; Carbonnier, Les obligati­ons (1998), § 237, p. 409.

152. Civ. 2e 16 januari 1991, Bull. civ. II, no 22, p. 11; Civ. 2e 3 maart 1988, JCP 1988. IV. 176, RTC 1988, 772, obs. P. Jourdain. Terré-Simler-Lequette, Les obligations (1996), nr. 786.

153. Zie onder meer Civ. 2e 1 december 1965, JCP 1966. II. 14567; Civ. 2e 4 november 1970, D. 1971. 205; Civ. 2e 1 december 1971, Gaz. Pal. 1972. 1. 292. Terré-Simler-Lequette, Les obligati­ons (1996), nr. 786; Carbonnier, Les obligations (1998), § 242, p. 417.

154. Ass. plén. 9 mei 1984 (Fullenwarth), D. 1984. 525, note F. Chabas, JCP 1984. II. 20255, note Dejean de la Bathie, waarover nr. 214. Zie Terré-Simler-Lequette, Les obligations (1996), nr. 786.

155. Civ. 2e 19 februari 1997 (Bertrand), D. 1997. 265, note P. Jourdain, JCP 1997. II. 22848, note G. Viney, RTC 1997, 668; zie ook Christophe Radé, Le renouveau de la responsabilité du fait d'autrui, D. 1997, C. 279.

156. Carbonnier, Les obligations (1998), § 241, p. 415; Viney-Jourdain, Les conditions de la responsa­bilité (1998), nr. 789-14.

 

Naar boven    Inhoud      Home