2 FRANKRIJK
2.3.1 Aansprakelijkheid voor zaken (la responsabilité
du fait des choses)
217 Verkeersaansprakelijkheid
(loi Badinter)
Sinds 1986 is op grond van de Loi Badinter voor een verplichting tot schadevergoeding van
de bestuurder of de gardien de betrokkenheid van een motorvoertuig bij een
verkeersongeval in beginsel voldoende. Jegens de benadeelde is slechts een
beroep op opzet of een onverschoonbare fout mogelijk en jegens een extra
kwetsbare benadeelde slechts een beroep op opzet.
De
wet die in 1985 tot stand kwam, is genoemd naar Robert Badinter die daarvoor
als Garde des Sceaux (Minister van Justitie) politiek verantwoordelijk
was.[129] Bij de twee decennia durende voorbereiding van de wet speelde André
Tunc, de godfather van het Franse aansprakelijkheidsrecht, een belangrijke
rol. Door de noodzaak van vereenvoudigingen en politieke compromissen werden
zijn ideeën echter slechts indirect gevolgd.[130]
De
wet is niet van toepassing op opzettelijk veroorzaakte schade: toen een
automobilist met zijn auto opzettelijk een lifter aan het schrikken wilde
maken en deze daarbij gewond raakte, werd de loi Badinter niet toepasselijk
geacht; er was namelijk geen sprake van een ‘accident’.[131] Slachtoffers van
dergelijke gedragingen zijn aangewezen op de strafvorderlijke bepalingen inzake
schadevergoeding voor slachtoffers van misdrijven (art. 706-3 e.v. CPP).
Art.
2 geeft het slachtoffer van een verkeersongeval waarbij een motorvoertuig is
betrokken, een recht op schadevergoeding jegens de bestuurder of de ‘gardien’
van het voertuig, c.q. jegens de aansprakelijkheidsverzekeraar van dat voertuig
(art. L. 124-3 C. Ass.).[132] Over het karakter van de wettelijke regeling
(aansprakelijkheid of verzekering) bestaat enig verschil van mening.
Voor
het recht op schadevergoeding is het in beginsel voldoende, dat een motorvoertuig
betrokken is bij een verkeersongeval (implication). Het is niet nodig, dat de
schade door het ongeval is veroorzaakt; het klassieke causaliteitsvereiste
speelt in beginsel geen rol meer. Dit implication-vereiste heeft tot een zeer
uitvoerige jurisprudentie geleid.[133] Dat betrokkenheid snel wordt aangenomen,
blijkt onder meer uit de beslissing van de Cour de cassation, dat het feit dat
een motorrijtuig geparkeerd staat zonder het verkeer te hinderen (perturber),
niet uitsluit dat er sprake is van betrokkenheid.[134] Ook het feit dat er
geen botsing (contact) is geweest met het motorrijtuig is geen beletsel voor
het aannemen van implication, maar de causale rol van het motorvoertuig moet
dan wel worden bewezen.[135] Bij kettingbotsingen lijkt de causaliteit eveneens
een beslissende rol te spelen.[136] Viney heeft naar aanleiding daarvan
bepleit, dat '... en cas de collision en chaîne l'implication de tous les
véhicules au profit de toutes les victimes'.[137]
Een
beroep op overmacht (force majeur) of op mede-aansprakelijkheid van een derde
leidt noch tot het verminderen, noch tot het vervallen van het recht op
schadevergoeding (art. 2). Aan personen jonger dan 16 of ouder dan 70 jaar en
tegen personen die reeds voor meer dan 80 procent invalide waren (art. 3) kan
alleen opzet worden tegengeworpen.[138] Voor andere personen vervalt het recht
op vergoeding van schade behalve bij opzet ook indien hun onverschoonbare fout
(faute inexcusable) de uitsluitende oorzaak van het ongeval is: '... seule est
inexcusable au sens de ce texte la faute volontaire d'une exceptionnelle
gravité exposant sans raison valable son auteur à un danger dont il aurait dû
avoir conscience'.[139] In deze zaak werd niet ‘inexcusable’ geacht de fout
van een dronken voetganger die de weg overstak op een onoverzichtelijke en
onverlichte plaats: zie Ass. plén. 10 november 1995, D. 1995. 633, JCP 1996. II. 22564, note Viney, RTC 1996, 183, obs. Jourdain. Wel ‘inexcusable’ was de fout van een
jongeman die zich schrijlings op de lijnaanduiding op het dak van een autobus
installeerde en bij het wegrijden van de bus dodelijk ten val kwam.[140] Dit
betekent dat de rechter een beroep op een ‘faute inexcusable’ slechts in
extreme gevallen zal honoreren.
Voor
de bestuurder van een motorvoertuig, die slachtoffer wordt van een verkeersongeval,
geldt een minder gunstige regeling. Hij heeft in beginsel recht op schadevergoeding
maar de omvang van de vergoeding wordt verminderd, indien er bij hem sprake is
van een ‘faute’ (art. 4).[141] Ook indien deze ‘faute’ de enige oorzaak van het
ongeval is, behoeft de schade echter nog niet geheel voor zijn rekening te
blijven, aldus Ch. mixte 28 maart 1997, D. 1997. 294, note
Groutel.[142] De bestuurder die
zelf een ‘faute’ begaat heeft geen actie tegen een bestuurder die geen
‘faute’ heeft begaan.[143] Indien de bestuurder schade lijdt door gedragingen
van een voetganger of fietser, kan hij van hen schadevergoeding vorderen op
grond van art. 1382 of 1384 al. 1, ongeacht of de fietser of voetganger
daarbij zelf gewond is geraakt.[144] De bestuurder kan de minder goede
bescherming die hij op grond van de loi Badinter heeft, compenseren door het
afsluiten van een zogenaamde PACS (Protection assurée du conducteur et des
siens).[145]
Na
tien jaar toepassing in de praktijk is de loi Badinter geëvalueerd; de
resultaten daarvan waren onverdeeld positief.[146]
129. Wet no. 85 - 677 van 5 juli 1985, S. 7584; JCP 1985. III. 57405. Zie
hierover Chabas, Le droit des accidents de la circulation (1988); Viney,
L'indemnisation des victimes d'accident de la circulation, Paris (1992). Zie voorts Sterk, Verhoogd gevaar in het
aansprakelijkheidsrecht (1994), p. 51-68; De Haas en Hartlief,
Verkeersaansprakelijkheid (1998), p. 27-35; Engelhard en Van Maanen,
Aansprakelijkheid voor verkeersongevallen (1998), p. 21 e.v.
130. Tunc, La sécurité routière (1966)
en Tunc, Pour une loi sur les accidents de la circulation (1981).
131. Crim. 6 februari 1992, RTC 1992,
571, obs. P. Jourdain: Minder
duidelijk op dit punt zijn Civ. 2e 2 maart 1994, Bull. civ. II, no 79, RTC
1995, 132, obs. P. Jourdain; Civ. 2e
132. Viney-Jourdain, Les conditions de
la responsabilité (1998), nr. 972; Terré-Simler-Lequette, Les obligations
(1996), nr. 894; Malaurie-Aynès, Cours de droit civil (1998), nr. 282;
Carbonnier, Les obligations (1998), § 277, p. 464-465.
133. Zie het overzicht bij Patrice
Jourdain, Implication et causalité dans la loi du 5 juil. 1985, JCP 1994. I.
3794 en Rémy Raffi, Implication et causalité dans la loi du 5 juil. 1985, D.
1994, p. 158-162. Zie ook C.H.W.M. Sterk,
Het begrip 'betrokkenheid' in het wetsvoorstel verkeersongevallen 1997, VR
1998, p. 65-69.
134. Civ. 2e 23 maart 1994, D. 1994, 229, note H. Groutel,
JCP 1994. II. 22292, note Ph. Conte, RTC 1994, 627, obs. P. Jourdain; Civ. 2e 25 januari 1995,
Bull. civ. II, no. 27, RTC 1995, 382, obs. P. Jourdain; Civ. 2e 12 juni 1996, D.
1996. IR. 175.
135. Civ. 2e 8 juni 1994, Bull. civ.
II, no. 147, D. 1994. IR. 181; aldus
ook Civ. 2e 13 januari 1997, JCP 1997. II. 22883.
136. Civ. 2e 7 februari 1996, Bull.
civ. II, no. 32, JCP 1996. IV. 762.
137. Geneviève Viney, Responsabilité
civile, JCP 1996. I. 3944, no. 21.
138. Terré-Simler-Lequette, Les
obligations (1996), nr. 928-934.
139. Ass. plén.
140. Civ. 2e
141. Civ. 2e 28 juni 1995, D. 1995. IR. 184; Civ. 2e
142. Ch. mixte 28 maart 1997, D. 1997,
294, note H. Groutel; Civ. 2e 6 mei 1997, D. 1997, 503, note H. Groutel; Civ.
2e 2 juli 1997, D. 1997, 183.
143. Civ. 2e
144. Zie bijvoorbeeld Civ. 2e 17 februari 1993, Bull. civ.
II, no. 64, JCP 1993. IV. 1016, RTC 1993, 596, obs. P. Jourdain en Civ. 2e 18
november 1987, Bull. civ. II, no. 236.
145. Frédéricq, De PACS-verzekering in Frankrijk en België
(1991).
146. Dixième anniversaire de la loi
Badinter sur la protection des victimes d'accidents de la circulation: Bilan
et perspectives, Resp. civ. et assur., 1996, nr. 4bis. Zie ook Tunc, Traffic Accident Compensation (1998), p.
461-471 en C.H.W.M. Sterk, Loi Badinter: onverdeeld positief beoordeeld, VR
1997, p. 197-200.