2 FRANKRIJK
2.3.1 Aansprakelijkheid voor zaken (la responsabilité
du fait des choses)
Voor toepasselijkheid van de
risico-aansprakelijkheid voor zaken dient sprake te zijn van een ‘gedraging van
de zaak’ (fait de la chose). De aansprakelijkheid rust op de ‘bewaarder’
(gardien), tenzij deze zich kan beroepen op een van buiten komende oorzaak (une
cause étrangère).
Art.
1384 al. 1 CC is in beginsel niet van toepassing in contractuele verhoudingen.
Is er sprake van een contract, dan kan alleen uit wanprestatie worden geageerd
en bepalen de ‘obligations de sécurité’ de aansprakelijkheid. Met name indien
sprake is van een actieve rol van de benadeelde hebben deze verplichtingen geen
resultaat- maar een inspanningskarakter. De rechtspraak is de laatste jaren
echter geneigd om de toepasselijkheid van contractuele normen te beperken.[111]
Art.
1384 al. 1 CC is veelal evenmin van toepassing op zaken die worden gebruikt in
het kader van overheidsdiensten (services publiques). Indien als
gevolg hiervan schade wordt veroorzaakt, is niet de burgerlijke rechter maar de
administratieve rechter bevoegd. Deze past mildere regels toe dan art. 1384
al. 1 CC; zo is de wegbeheerder slechts aansprakelijk indien hij niet kan
aantonen dat hij de weg voldoende heeft onderhouden.[112]
Bij
‘choses’ gaat het in beginsel om alle niet levende zaken (choses inanimées),
ongeacht of ze gebrekkig of niet gebrekkig, roerend of onroerend, natuurlijk
of kunstmatig, gevaarlijk of niet gevaarlijk zijn.[113] Een ‘res nullius’,
zoals sneeuw of regen, is meestal geen ‘chose’, in elk geval niet indien er
geen ‘gardien’ valt aan te wijzen. Het menselijk lichaam wordt evenmin als
‘chose’ beschouwd, althans niet zolang het nog leeft.[114] Bijzondere
wettelijke regimes, bijvoorbeeld art. 1386 CC (aansprakelijkheid voor instortende
gebouwen), derogeren aan de algemene regel van risico-aansprakelijkheid.
Het
belangrijkste criterium voor aansprakelijkheid op grond van art. 1384 al. 1 is,
dat er sprake moet zijn van een gedraging van de zaak (fait de la chose).
Het is eenvoudiger aan te geven wat daar niet onder valt dan wat daar wel onder
valt. Zo is het voor een ‘fait de la chose’ niet noodzakelijk, dat er sprake is
van contact tussen ‘la chose’ en de benadeelde; evenmin is vereist dat de zaak
zelfstandig de schade toebrengt of dat zij in beweging is.[115] Daar staat
tegenover, dat er geen sprake is van een ‘fait de la chose’ indien een zaak
die niet in beweging is een zuiver passieve rol (un rôle purement passif) heeft
gespeeld of zich niet abnormaal heeft gedragen (comportement normal de la
chose). Dat is bijvoorbeeld het geval indien iemand uitglijdt op een besneeuwde
buitentrap in een wintersportplaats of op een niet abnormaal vochtige of
gladde winkelvloer.[116] In 1995 besliste de Cour de cassation dat in dit soort
gevallen voor een ‘fait de la chose’ nodig is dat er sprake is van een
‘position anormale’ of van een gebrek van de zaak (un mauvais état).[117]
Toen iemand door een openstaande deur in een liftkoker viel, kon dan ook worden
aangenomen dat er sprake was van een ‘fait de la chose’; alleen door overmacht
kon de ‘gardien’ hier nog ontsnappen: beslissend daarvoor was of '... cette
ouverture anormale a une cause étrangère à la société revêtant pour cette
dernière un caractère imprévisible et irrésistible'.[118]
De
aansprakelijkheid rust op de ‘gardien de la chose’: dit kan de eigenaar zijn
(er geldt een vermoeden dat de eigenaar ‘gardien’ is) maar dat behoeft
geenszins het geval te zijn.[119] Beslissend is wie ten tijde van het ongeval
‘l'usage, le contrôle et la direction de la chose’ heeft.[120] Daarbij wordt
ook wel onderscheiden tussen ‘garde du comportement’ en ‘garde de la
structure’; bij het laatste gaat het om de innerlijke structuur (gebrekkigheid),
waarvan de ‘garde’ in beginsel bij de eigenaar ligt.[121]
De
aanwezigheid van een geestelijke tekortkoming is geen beletsel voor de kwalificatie
‘gardien’[122] en ook zeer jonge kinderen kunnen ‘gardien’ zijn. Toen een
driejarig kind met een stok in de hand uit een schommel viel en daarmee een
ander kind verwondde, werd de driejarige als ‘gardien’ aangemerkt: Ass. plén. 9 mei 1984 (Gabillet/Noye).[123] De werknemer is geen ‘gardien’ van de zaken
van zijn werkgever.[124] Voorts is van belang, dat een bestolene de ‘garde’
verliest en dus niet meer op grond van art. 1384 al. 1 kan worden aangesproken;
dit laat onverlet dat de benadeelde een actie uit art. 1382 kan instellen.[125]
Indien
zowel de veroorzaker als de benadeelde als ‘gardiens’ kunnen worden aangemerkt,
vindt niet art. 1384 al. 1 maar art. 1382 toepassing. Dat geldt bijvoorbeeld
bij balsporten. Ten aanzien van een tenniswedstrijd overwoog de Cour de cassation: '...
ayant constaté qu'au moment de l'accident, chaque joueur exerçait sur la balle
les mêmes pouvoirs de direction et de contrôle, la cour d'appel a pu déduire
que cet usage commun de l'instrument du dommage ne permettait pas à Forestier
Maréchal de fonder son action sur l'a. 1384, al. 1'.[126] Art. 1384 al. 1 is
echter weer wel van toepassing tijdens een training of een individuele
oefening.[127]
De
‘gardien’ heeft slechts beperkte mogelijkheden om aansprakelijkheid te
ontlopen. Hij kan zich allereerst beroepen op een van buiten komende oorzaak (cause
étrangère); daartoe moet hij aantonen dat er voor de schade een externe
oorzaak bestond (extériorité), die onvoorzienbaar en
onvermijdbaar (imprévisible et insurmontable) was. Daarnaast kan
de ‘gardien’ zich beroepen op de eigen schuld van de benadeelde (fait de
la victime); in deze gevallen kan de verplichting tot schadevergoeding
worden verminderd. Zij wordt zelfs opgeheven indien de gedraging van de
benadeelde de enige oorzaak van het ongeval is en deze bovendien overmacht
oplevert voor de veroorzaker. Mede-aansprakelijkheid (fait d'un tiers)
van een derde is jegens de benadeelde alleen relevant indien de gedraging van
de derde voor hem overmacht oplevert.[128]
111. Zie bijvoorbeeld Civ. 1re 7 maart 1989, D. 1991. 1, note
Malaurie. Viney-Jourdain, Les conditions de la responsabilité (1998), nr
456-1; Le Tourneau-Cadiet, Droit de la responsabilité (1998), nr 1546-1562; zie
ook Sterk, Verhoogd gevaar in het aansprakelijkheidsrecht (1994), p. 18-26.
112. Sterk, Verhoogd gevaar in het aansprakelijkheidsrecht (1994),
p. 32-33 en 63-68.
113. In Civ. 21 februari 1927
(Jand’heur I), S. 1927. 1. 137, note
Esmein, had de Cour de cassation nog wel onderscheiden tussen gevaarlijke en
ongevaarlijke zaken.
114. Terré-Simler-Lequette, Les obligations (1996),
nr 732-745; Viney-Jourdain, Les conditions de la responsabilité (1998), nr 635;
Malaurie-Aynès, Cours de droit civil (1998), nr 190-191; Carbonnier, Les
obligations (1998), § 257, p. 439-440.
115. Civ. 24 februari 1941, D. 1941. 85, note
J. Flour, S. 1941. I. 49. Terré-Simler-Lequette, Les obligations (1996), nr
741-744; Malaurie-Aynès, Cours de droit civil (1998), nr 191; Carbonnier, Les
obligations (1998), § 257, p. 440-441.
116. Civ. 2e 15 maart 1978, D. 1978. IR. 406 (buitentrap); Civ. 2e 18 oktober
1989, Bull. civ. II, no 187 (winkelvloer). Terré-Simler-Lequette, Les
obligations (1996), nr 764; Malaurie-Aynès, Cours de droit civil (1998), nr 191
en 193; Aubry et Rau-Dejean de la Bathie, Responsabilité délictuelle (1989), nr
137; Carbonnier, Les obligations (1998), § 269, p. 455-456.
117. Civ. 2e 11 januari 1995, Bull.
civ. II, no 18.
118. Civ. 2e 29 mei 1996, Bull. civ.
II, no 117, D. 1996. IR. 155.
119. Civ. 2e 22 januari 1970, D. 1970. 228,
RTC 1971, 150; Civ. 2e 16 mei 1984, RTC 1985, 585, obs. Huet. Viney-Jourdain,
Les conditions de la responsabilité (1998), nr 677-681.
120. Terré-Simler-Lequette, Les obligations
(1996), nr 755-761; Malaurie-Aynès, Cours de droit civil (1998), nr 199;
Carbonnier, Les obligations (1998), § 257, p. 441-442.
121. Carbonnier, Les obligations (1998), §
265, p. 451-452; Viney-Jourdain, Les conditions de la responsabilité (1998), nr
691-701.
122. Civ. 2e
123. Ass. plén. 9 mei 1984 (Gabillet/Noye), JCP 1984. II. 20255, note Dejean de la Bathie,
D. 1984. 525, note Chabas, RTC 1984, 509, obs. Huet ;
Terré-Simler-Lequette, Les obligations (1996), nr 760; Viney, JCP 1985. I.
3189; Raymond Legeais, Un gardien sans discernement, D. 1984, p. 237-242.
124. Civ. 2e 20 oktober 1971, D. 1972. 414. Carbonnier, Les obligations (1998),
§ 265, p. 452.
125. Ch. réun.
126. Civ. 2e
127. Civ. 2e 21 februari 1979, Bull.
civ. II, no 58, RTC 1979, 615, obs. Durry (basketbaltraining); Civ. 2e 22
maart 1995, D. 1995. IR. 99 (wielrentraining); Viney-Jourdain, Les conditions de la
responsabilité (1998), nr 643; Malaurie-Aynès, Cours de droit civil (1998), nr
202 en 132.
128. André Tunc, Les causes d'exonération de
la responsabilité de plein droit de l'article 1384 alinéa 1er, du code civil,
D. 1975, p. 83-90; Terré-Simler-Lequette, Les obligations (1996), nr 765-772;
Malaurie-Aynès, Cours de droit civil (1998), nr 195-196; Carbonnier, Les
obligations (1998), § 258, p. 443.