AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

2        FRANKRIJK

 

2.3.1 Aansprakelijkheid voor zaken (la responsabilité du fait des choses)

 

216   Vereisten en verweren

 

Voor toepasselijkheid van de risico-aansprakelijkheid voor zaken dient sprake te zijn van een ‘gedraging van de zaak’ (fait de la chose). De aansprakelijkheid rust op de ‘bewaarder’ (gardien), tenzij deze zich kan beroepen op een van buiten komende oorzaak (une cause étrangère).

 

Art. 1384 al. 1 CC is in beginsel niet van toepassing in contractuele verhoudingen. Is er sprake van een contract, dan kan alleen uit wanprestatie worden geageerd en bepalen de ‘obligations de sécurité’ de aansprakelijkheid. Met name indien sprake is van een actieve rol van de benadeelde hebben deze verplichtingen geen resultaat- maar een inspannings­karakter. De rechtspraak is de laatste jaren echter geneigd om de toepasselijkheid van contractuele normen te beperken.[111]

 

Art. 1384 al. 1 CC is veelal evenmin van toepassing op zaken die worden gebruikt in het kader van overheidsdiensten (services publiques). Indien als gevolg hiervan schade wordt veroorzaakt, is niet de burgerlijke rechter maar de administratieve rechter be­voegd. Deze past mildere regels toe dan art. 1384 al. 1 CC; zo is de wegbeheerder slechts aansprakelijk indien hij niet kan aantonen dat hij de weg voldoende heeft onder­houden.[112]

 

Bij ‘choses’ gaat het in beginsel om alle niet levende zaken (choses inanimées), onge­acht of ze gebrekkig of niet gebrekkig, roerend of onroerend, natuurlijk of kunstmatig, gevaarlijk of niet gevaarlijk zijn.[113] Een ‘res nullius’, zoals sneeuw of regen, is meestal geen ‘chose’, in elk geval niet indien er geen ‘gardien’ valt aan te wijzen. Het menselijk lichaam wordt evenmin als ‘chose’ beschouwd, althans niet zolang het nog leeft.[114] Bij­zon­dere wettelijke regimes, bijvoorbeeld art. 1386 CC (aansprakelijkheid voor instorten­de gebouwen), derogeren aan de algemene regel van risico-aansprakelijkheid.

 

Het belangrijkste criterium voor aansprakelijkheid op grond van art. 1384 al. 1 is, dat er sprake moet zijn van een gedraging van de zaak (fait de la chose). Het is eenvoudiger aan te geven wat daar niet onder valt dan wat daar wel onder valt. Zo is het voor een ‘fait de la chose’ niet noodzakelijk, dat er sprake is van contact tussen ‘la chose’ en de bena­deelde; evenmin is vereist dat de zaak zelfstandig de schade toebrengt of dat zij in beweging is.[115] Daar staat tegenover, dat er geen sprake is van een ‘fait de la cho­se’ indien een zaak die niet in beweging is een zuiver passieve rol (un rôle purement passif) heeft gespeeld of zich niet abnormaal heeft gedra­gen (comporte­ment normal de la chose). Dat is bijvoorbeeld het geval indien iemand uitglijdt op een be­sneeuwde buiten­trap in een wintersportplaats of op een niet abnormaal vochtige of gladde winkelvloer.[116] In 1995 besliste de Cour de cassation dat in dit soort gevallen voor een ‘fait de la chose’ nodig is dat er sprake is van een ‘position anormale’ of van een gebrek van de zaak (un mau­vais état).[117] Toen iemand door een openstaande deur in een liftkoker viel, kon dan ook wor­den aangenomen dat er sprake was van een ‘fait de la chose’; alleen door overmacht kon de ‘gardien’ hier nog ontsnappen: beslissend daarvoor was of '... cette ouverture anormale a une cause étrangère à la société revêtant pour cette dernière un caractère imprévisible et irrésistible'.[118]

 

De aansprakelijkheid rust op de ‘gardien de la chose’: dit kan de eigenaar zijn (er geldt een vermoeden dat de eigenaar ‘gardien’ is) maar dat behoeft geenszins het geval te zijn.[119] Beslissend is wie ten tijde van het ongeval ‘l'usage, le contrôle et la direction de la chose’ heeft.[120] Daarbij wordt ook wel onderscheiden tussen ‘garde du comportement’ en ‘garde de la structure’; bij het laatste gaat het om de innerlijke structuur (gebrekkig­heid), waar­van de ‘garde’ in beginsel bij de eigenaar ligt.[121]

 

De aanwezigheid van een geestelijke tekortkoming is geen beletsel voor de kwalifi­catie ‘gardien’[122] en ook zeer jonge kinderen kunnen ‘gardien’ zijn. Toen een drieja­rig kind met een stok in de hand uit een schommel viel en daarmee een ander kind verwond­de, werd de driejarige als ‘gardien’ aangemerkt: Ass. plén. 9 mei 1984 (Gabillet/Noye).[123] De werknemer is geen ‘gardien’ van de zaken van zijn werkge­ver.[124] Voorts is van belang, dat een besto­le­ne de ‘garde’ ver­liest en dus niet meer op grond van art. 1384 al. 1 kan worden aangespro­ken; dit laat onverlet dat de benadeelde een actie uit art. 1382 kan instellen.[125]

 

Indien zowel de veroorzaker als de benadeelde als ‘gardiens’ kunnen worden aange­merkt, vindt niet art. 1384 al. 1 maar art. 1382 toepassing. Dat geldt bijvoorbeeld bij balspor­ten. Ten aanzien van een tenniswed­strijd over­woog de Cour de cassation: '... ayant constaté qu'au mo­ment de l'accident, chaque joueur exerçait sur la balle les mêmes pouvoirs de direction et de contrôle, la cour d'appel a pu déduire que cet usage commun de l'instrument du domma­ge ne permettait pas à Forestier Maréchal de fonder son action sur l'a. 1384, al. 1'.[126] Art. 1384 al. 1 is echter weer wel van toepassing tijdens een trai­ning of een indivi­duele oefening.[127]

 

De ‘gardien’ heeft slechts beperkte mogelijkheden om aansprakelijkheid te ontlopen. Hij kan zich allereerst beroepen op een van buiten komende oorzaak (cause étrangère); daartoe moet hij aantonen dat er voor de schade een externe oorzaak bestond (extério­rité), die onvoorzienbaar en onvermijdbaar (imprévisible et insurmontable) was. Daar­naast kan de ‘gardien’ zich beroepen op de eigen schuld van de benadeelde (fait de la victime); in deze gevallen kan de verplichting tot schadevergoeding worden verminderd. Zij wordt zelfs opgeheven indien de gedraging van de benadeelde de enige oorzaak van het ongeval is en deze bovendien overmacht oplevert voor de veroorzaker. Mede-aan­sprakelijkheid (fait d'un tiers) van een derde is jegens de benadeelde alleen relevant indien de gedraging van de derde voor hem overmacht oplevert.[128]

 

111. Zie bijvoorbeeld Civ. 1re 7 maart 1989, D. 1991. 1, note Malaurie. Viney-Jourdain, Les condi­tions de la responsabilité (1998), nr 456-1; Le Tourneau-Cadiet, Droit de la responsabilité (1998), nr 1546-1562; zie ook Sterk, Verhoogd gevaar in het aansprakelijkheidsrecht (1994), p. 18-26.

112. Sterk, Verhoogd gevaar in het aansprakelijkheidsrecht (1994), p. 32-33 en 63-68.

113. In Civ. 21 februari 1927 (Jand’heur I), S. 1927. 1. 137, note Esmein, had de Cour de cassation nog wel onderscheiden tussen gevaarlijke en ongevaarlijke zaken.

114. Terré-Simler-Lequette, Les obligations (1996), nr 732-745; Viney-Jourdain, Les conditions de la responsabilité (1998), nr 635; Malaurie-Aynès, Cours de droit civil (1998), nr 190-191; Carbon­nier, Les obligations (1998), § 257, p. 439-440.

115. Civ. 24 februari 1941, D. 1941. 85, note J. Flour, S. 1941. I. 49. Terré-Simler-Lequette, Les obligations (1996), nr 741-744; Malaurie-Aynès, Cours de droit civil (1998), nr 191; Carbonnier, Les obligations (1998), § 257, p. 440-441.

116. Civ. 2e 15 maart 1978, D. 1978. IR. 406 (buitentrap); Civ. 2e 18 oktober 1989, Bull. civ. II, no 187 (winkelvloer). Terré-Simler-Lequette, Les obligations (1996), nr 764; Malaurie-Aynès, Cours de droit civil (1998), nr 191 en 193; Aubry et Rau-Dejean de la Bathie, Responsabilité délictuelle (1989), nr 137; Carbonnier, Les obligations (1998), § 269, p. 455-456.

117. Civ. 2e 11 januari 1995, Bull. civ. II, no 18.

118. Civ. 2e 29 mei 1996, Bull. civ. II, no 117, D. 1996. IR. 155.

119. Civ. 2e 22 januari 1970, D. 1970. 228, RTC 1971, 150; Civ. 2e 16 mei 1984, RTC 1985, 585, obs. Huet. Viney-Jourdain, Les conditions de la responsabilité (1998), nr 677-681.

120. Terré-Simler-Lequette, Les obligations (1996), nr 755-761; Malaurie-Aynès, Cours de droit civil (1998), nr 199; Carbonnier, Les obligations (1998), § 257, p. 441-442.

121. Carbonnier, Les obligations (1998), § 265, p. 451-452; Viney-Jourdain, Les conditions de la responsabilité (1998), nr 691-701.

122. Civ. 2e 18 december 1964, D. 1965. 191, note Esmein, Gaz. Pal. 1965. 1. 202; RTC 1965, 351, obs. Rodière (Trichard). Viney-Jourdain, Les conditions de la responsa­bilité (1998), nr 583 en 685; Terré-Simler-Lequette, Les obligations (1996), nr 760.

123. Ass. plén. 9 mei 1984 (Gabillet/Noye), JCP 1984. II. 20255, note Dejean de la Bathie, D. 1984. 525, note Chabas, RTC 1984, 509, obs. Huet ; Terré-Simler-Lequette, Les obligations (1996), nr 760; Viney, JCP 1985. I. 3189; Raymond Legeais, Un gardien sans discernement, D. 1984, p. 237-242.

124. Civ. 2e 20 oktober 1971, D. 1972. 414. Carbonnier, Les obligations (1998), § 265, p. 452.

125. Ch. réun. 2 december 1941 (Connot c. Franck), D. 1942. 25, note G. Ripert, S. 1941. 1. 217, note H. Mazeaud; Civ. 2e 5 april 1965, D. 1965. 737. Carbonnier, Les obligations (1998), § 257, p. 442; Viney-Jourdain, Les conditions de la responsabilité (1998), nr 676.

126. Civ. 2e 20 november 1968, Bull. civ. II, no 277.

127. Civ. 2e 21 februari 1979, Bull. civ. II, no 58, RTC 1979, 615, obs. Durry (basket­baltraining); Civ. 2e 22 maart 1995, D. 1995. IR. 99 (wielrentraining); Viney-Jourdain, Les conditions de la responsabilité (1998), nr 643; Malaurie-Aynès, Cours de droit civil (1998), nr 202 en 132.

128. André Tunc, Les causes d'exonération de la responsabilité de plein droit de l'article 1384 alinéa 1er, du code civil, D. 1975, p. 83-90; Terré-Simler-Lequette, Les obligations (1996), nr 765-772; Malaurie-Aynès, Cours de droit civil (1998), nr 195-196; Carbonnier, Les obligations (1998), § 258, p. 443.

 

 

Naar boven    Inhoud      Home