AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

2        FRANKRIJK

 

2.1    Inleiding

 

201   Overzicht

 

In geen ander land dan Frankrijk wordt het beeld van het aansprakelijkheidsrecht bepaald door vormen van risico-aansprakelijkheid. De foutaansprakelijkheid kent slechts één vereiste, namelijk de ‘faute’. Dit vereiste wordt vanouds verdeeld in een objectief en een subjectief element; deze elementen zijn vergelijkbaar met de Nederlandse begrippen onrechtmatigheid en toerekening.

 

Het Franse aansprakelijkheidsrecht wordt ingedeeld in een foutaansprakelijkheid voor eigen gedragingen (la responsabilité du fait personnel), een risico-aansprakelijkheid voor 'zaken' (la responsabilité du fait des choses) en een risico-aansprakelijkheid voor perso­nen (la responsabilité du fait d'autrui). Deze indeling is gebaseerd op art. 1384 al. 1 CC. In het verlengde hiervan worden de eigen gedraging (le fait personnel), de gedraging van een 'zaak' (le fait de la chose) en de gedraging van een ander (le fait d'autrui) be­schouwd als de bronnen van de aansprakelijkheid (les faits générateurs de la responsabi­lité of les faits dommageables).[1]

 

Bij de ontwikkeling van de risico-aansprakelijkheid speelde de rechtspraak een be­langrijke rol. Aan het einde van de negentiende eeuw, in 1896, besliste de Cour de cassation dat uit art. 1384 al. 1 een algemene risico-aansprakelijkheid voor zaken voort­vloeide (nr. 215: Rechtsontwikkeling; nr. 216: Vereisten en verweren). Bijna een eeuw later, in 1991, ontwikkelde de Franse cassatie­rechter op grond van dezelfde bepaling een algemene risico-aansprakelijk­heid voor personen (nr. 220: Algemene risico-aansprakelijkheid voor personen).[2] De ‘loi Badinter’ uit 1985 inzake de vergoeding van verkeersschade is een van de weinige nieuwe wettelijke regelingen op het gebied van het aan­sprakelijk­heidsrecht (nr. 217: Verkeersaansprakelijkheid: ‘loi Badinter’).

 

De dominante positie van regels van risico-aansprakelijkheid impliceert, dat voor het ongevallenrecht (de aansprakelijkheid voor personen- en zaakschade) de foutaansprake­lijkheid van minder betekenis is dan in andere landen, al speelt zij wel een belangrijke rol bij de aansprakelijkheid voor economische schade en bij de aansprakelijkheid voor na­laten (nr. 210). De betekenis van het ‘faute’-begrip moet daarom in dat per­spectief wor­den gezien: het is binnen het ongevallen­recht van minder belang dan in andere lan­den.

 

In het kader van de foutaansprakelijkheid (art. 1382 en 1383 CC) heeft de literatuur vanouds een onderscheid gemaakt tussen het objectieve en het subjectieve element van de ‘faute’; dit komt grotendeels overeen met het thans vaker gebruikte onderscheid tussen ex­terne en interne (persoonlijke) omstandigheden. Voor het vaststellen van het objectieve element, dat door een aantal schrijvers ook wel wordt aangeduid met de term fait ‘illicite’, speelt de rechtsinbreuk nauwelijks een rol (nr. 204). De schending van een wettelijk voorschrift is wel van belang want deze levert zonder meer een ‘faute’ op indien het voorschrift een uitdrukkelijk ge- of verbod bevat; er vindt dan geen aanvullende toetsing aan het ongeschreven recht plaats (nr. 205). In het Franse recht wordt de relativiteitsleer niet erkend; de relativiteit van wettelijke normen wordt hier via het causaliteitsvereiste beredeneerd (nr. 206). Wanneer geschikte wettelijke normen ontbreken, wordt het ob­jectieve element van de ‘faute’ vastgesteld door het gedrag van de veroorzaker te toetsen aan het ongeschreven recht, in het bijzonder aan het vergelijkingstype van de goede huisvader (le bon père de famille) (nr. 207-208).

 

Bij het subjectieve element van de ‘faute’ gaat het om de persoonlijke eigenschappen (circonstances internes) van de veroorzaker. De toetsing hiervan vindt in beginsel op ob­jectieve wijze plaats en is in zoverre nauwelijks meer te onderscheiden van de toetsing aan het vergelijkingstype van de goede huisvader (nr. 212).

 

Toerekeningsvatbaarheid, als onderdeel van het subjectieve element van de ‘faute’, speelt in de praktijk nauwelijks nog een rol van betekenis. Om te beginnen is een geeste­lijke tekortkoming sinds een wetswijziging in 1968 geen beletsel meer voor aansprakelijk­heid. Daarnaast toetst de rechtspraak de gedragingen van kleine kinderen vrijwel steeds objectief (nr. 213-214).

 

In het algemeen geldt dat aansprakelijkheid van de overheid bij de uitoefening van haar publiekrechtelijke taak als regel door de administratieve rechter wordt beoordeeld. De administratiefrechtelijke normen zijn in het algmeen milder dan die op grond van de Code civil voor de particu­lier gelden.[3]

 

1. Carbonnier, Les obligations (1998), § 220, p. 381; Viney-Jourdain, Les conditions de la responsa­bilité (1998), nr. 438; Aubry et Rau-Dejean de la Bathie, Responsabilité délictuelle (1989), nr. 325; Terré-Simler-Lequette, Les obligations (1996), nr. 683; Marty et Raynaud, Droit civil (1988), nr. 396.

2. De Belgische en Nederlandse rechtspraak zijn op basis van dezelfde bepaling (art. 1384 lid 1 BW en art. 1403 lid 1 BW) niet zover gegaan; nr. 306 en nr 1314.

3. Zie hierover Sterk, Verhoogd gevaar in het aansprakelijkheidsrecht (1994), p. 32-33 en 63-68.

 

Naar boven    Inhoud      Home