AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

__________________________________

 

1           INLEIDING DEEL I

 

101      Probleemstelling

 

In dit Deel I staat het aansprakelijkheidsrecht van Frankrijk, België, Duitsland en Engeland centraal. Het gaat daarin om de structuur van de fout­aansprakelijkheid en om de vraag voor welke gevallen strengere aansprakelijkheidsre­gels gelden, zoals een foutaansprakelijkheid met omgekeerde bewijslast of een vorm van risico-aansprakelijkheid.

 

Dit Deel I bevat een overzicht van het aansprakelijkheidsrecht in Frankrijk (Hoofdstuk 2), België (Hoofdstuk 3), Duitsland (Hoofdstuk 4) en Engeland (Hoofdstuk 5).

 

In deze landenoverzichten staan eerst de nationale kathedralen van de foutaansprake­lijkheid centraal: de Franse ‘esponsabilité du fait personnel’ (art. 1382 en 1383 CC), de Belgische ‘foutaansprakelijkheid’ (art. 1382 en 1383 BW), de Duitse ‘unerlaubte Handlung’ (§ 823 en 826 BGB) en de Engelse ‘tort of negligence’. Daarbij wordt bijzondere aandacht besteed aan de structuur van deze regels, aan de ontwikkeling ervan en aan de wijze waarop ze worden toegepast. Ook de vraag hoe in het kader van de foutaansprakelijkheid wordt omgegaan met verplichtingen om te doen (aansprakelijkheid voor nalaten) komt aan de orde.

 

Daarnaast wordt een overzicht gegeven van de strengere vormen van aansprakelijk­heid die door de wetgever of de rechter zijn gecreëerd. Het gaat daarbij om vormen van foutaansprakelijkheid met omgekeerde bewijslast, risico-aansprakelijkheid voor gebreken en risico-aansprakelijkheid met een overmacht-verweer.

 

In Hoofdstuk 6 vindt een vergelijking plaats van de structuur van het aansprakelijk­heidsrecht in de diverse rechtsstelsels. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan de Fran­covich-jurisprudentie, waarin het Europese Hof van Justitie verwees naar de algemene beginselen die aan het aansprakelijkheidsrecht van de lidstaten ten grondslag liggen. Hier ontmoeten ‘ius commune’ en Europees recht elkaar.

 

De vereisten causaliteit en schade blijven op de achtergrond, omdat zij niet specifiek zijn voor die normering; zij spelen ook buiten de algemene regel van de onrechtmatige daad (en in feite bij iedere vorm van aansprake­lijkheid) een rol. Carbonnier noemt deze vereisten treffend 'les constantes de la responsabilité civil'.[1] Even verder merkt hij op: '... c'est la faute seule qui est une condition caractéristique, les deux autres ayant des analogues dans tous les cas de responsabilité.'[2] Het is echter niet mogelijk om cau­saliteit en schade geheel te negeren: onrechtmatigheid, toerekening, causaliteit en schade zijn immers in zekere zin communiceren­de vaten.[3]

 

De verschillende rechtsstelsels hebben elk op eigen wijze vorm gegeven aan het aan­sprakelijkheidsrecht. De variatie loopt van enkele algemene regels in het Franse en Belgische recht, via een groter aantal algemene regels met een beperkte strekking in Duitsland tot vrijwel uitsluitend bijzondere regels in het Engelse recht. Door deze struc­turen te vergelijken, is het mogelijk om te zien hoe vanuit een verschillende systemati­sche invalshoek met dezelfde maatschappelijke problemen wordt omgegaan.

 

Het Franse en Belgische aansprakelijkheidsrecht zijn van belang in verband met de op de Code civil teruggaande historische verwantschap. In het kader van de foutaansprake­lijkheid baseerde de Nederlandse wetgever van 1838 zich voor het toenmalige art. 1401 BW op art. 1382 CC, maar splitste hij het daarin vermelde ‘faute’-vereiste in twee begrip­pen, namelijk onrechtmatigheid en schuld (nr. 701: Het BW van 1838 en Lindenbaum/Cohen). Het duo-vereiste onrechtmatigheid en schuld kwam in de gedaante van onrechtmatigheid en toerekening in het BW van 1992 terecht, terwijl in het Franse en Belgische recht nog altijd het ongedeelde vereiste van de ‘faute’ of de ‘fout’ geldt. Ook de vormen van risico-aansprakelijkheid hebben zich, ondanks een gelijkluidend uitgangspunt (art. 1384-1386 CC en art. 1403-1405 BW) verschillend ontwikkeld. Een belangrijk onderscheid daarbij was dat de Franse en Belgische rechter al vroeg aan art. 1384 lid 1 CC en BW (art. 1403 lid 1 BW) zelfstandige betekenis hebben gegeven en er een risico-aansprakelijkheid voor (gebrekkige) zaken uit hebben afgeleid. In het Nederlandse BW van 1992 is deze achterstand gedeeltelijk ingelopen, zij het in een enigszins afwijkende structuur.

 

Het Duitse recht is van belang in verband met de sterk ontwikkelde en uitgewerkte foutaansprakelijkheid. Dat komt vooral tot uitdrukking in de door de rechtspraak gecre­erde ‘Verkehrspflichten’, die goed vergelijkbaar zijn met de in Nederland bekend ver­keers- en veiligheidsnormen. Voorts vertonen de Nederlandse onrechtmatigheidscatego­rieën duidelijke overeenkomsten met de Duitse categorieën van de ‘unerlaubte Handlung’. Daarin worden namelijk als onrechtmatig beschouwd het plegen van inbreuk op het recht van een ander (§ 823 Abs. 1 BGB) en een doen of nalaten in strijd met een wette­lijke plicht (§ 823 Abs. 2 BGB) of met de goede zeden (§ 826 BGB). In dit opzicht kan de structuur van de ‘unerlaubte Handlung’ licht werpen op de onderlinge verhouding van de Nederlandse onrechtmatigheidscategorieën en op de verhouding tussen de vereisten onrechtmatigheid en toerekening. Naast de foutaansprakelijkheid kent het Duitse recht vormen van kwalitatieve aansprakelijkheid voor schade door werknemers, minderjarigen, gebouwen en dieren, veelal in de vorm van een foutaansprakelijkheid met omgekeerde bewijslast. Daarnaast is in bijzondere wetten een groot aantal regels van risico-aansprake­lijkheid opgenomen, die doorgaans een beperkte strekking hebben. Net als op het gebied van de foutaansprakelijkheid bestaat in Duitsland op het terrein van de risico-aansprake­lijkheid terughoudendheid ten aanzien van het invoeren van regels met een algemene strekking.

 

Het Engelse recht kent slechts vormen van risico-aansprakelijkheid voor schade door dieren, werknemers en gebrekkig produkten. De foutaansprakelijkheid bestaat in de ‘common law’ uit vele regels met elk eigen vereisten en een eigen toepassingsgebied. Deze regels zijn voortgekomen uit concrete casus en in de praktijk gaat het vaak nog altijd meer om gevalsvergelijking dan om regeltoepassing. Uit de veelheid van regels is in de loop van de twintigste eeuw de ‘tort of negligence’ naar voren gekomen als een min of meer algemene regel voor de foutaansprakelijkheid, althans indien het gaat om het veroorzaken van personen- of zaakschade. De Engelse foutaansprakelijkheid is met name van belang voor de vormgeving van de aansprakelijkheid voor nalaten en voor het in het ‘duty of care’-vereiste geformaliseerde relationele aspect van de aansprakelijkheid.

 

1. Carbonnier, Droit civil (1998), § 205, p. 359.

2. Carbonnier, Droit civil (1998), § 220, p. 382.

3. D.J. Veegens, noot onder HR 9 december 1960 (Jaguar I), NJ 1963, 1. Zie ook nr. 703-704, nr. 809: Causaliteit en voorzienbaarheid; nr. 810: Bewijslast causaliteit en nr. 1102.

 

Naar boven        Inhoud   Home

 

 

 

 

 

 

.