AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam
________________________________________
In het aansprakelijkheidsrecht gaat het om het
afwegen van de vrijheid van handelen tegen de bescherming van rechten en
belangen. Het beginsel hierbij is dat ieder jegens anderen verantwoordelijk is
voor zijn eigen gedragingen en voor gedragingen van personen en zaken tot wie
hij in een speciale relatie staat. Ieder behoort zich ten
opzichte van de ander ten minste zorgvuldig te gedragen.
De
kern van het aansprakelijkheidsrecht ligt in de afweging van de vrijheid van
handelen tegen de bescherming van rechten en belangen. 'Das Grundproblem jeder
Deliktsordnung besteht in dem Spannungsverhältnis zwischen Güterschutz und
Handlungsfreiheit.'[1]
De
vrijheid van handelen en de bescherming van rechten en belangen kunnen niet tegelijk
worden gewaarborgd. Volledige vrijheid zou de samenleving levensgevaarlijk maken; volledige
bescherming zou haar verlammen: 'As has often been pointed out, if all the
trains in this country were restricted to a speed of 5 miles an hour, there
would be fewer accidents, but our national life would be intolerably slowed
down. The purpose to be served, if sufficiently important, justifies the
assumption of abnormal risk.'[2]
Het
is daarom een kwestie van geven en nemen: bescherming bestaat slechts ten koste
van vrijheid en vrijheid slechts ten koste van bescherming: 'Nous ne pouvons
pas vivre sans nuire à autrui (...). La vie serait tout aussi impossible si nous ne
pouvions rien faire qui nuise à autrui ou risque de lui nuire, que si
"tout était permis". Mais il y a un certain niveau d'atteinte à la
liberté, de gêne et même de risque, que nous pouvons infliger à notre prochain,
parce que c'est la condition même de notre vie dans la société moderne, et que
nous supportons les mêmes gênes et les mêmes risques de la part du
prochain.'[3]
Het
is aan de wetgever en de rechter om, zoals Themis, de belangen van vrijheid en
bescherming tegen elkaar af te wegen. Recht betekent hier dat de belangen
maatschappelijk in evenwicht zijn, onrecht impliceert een verstoring daarvan.
De functie van het vaststellen van aansprakelijkheid en het vergoeden van de
schade is het herstellen van deze onevenwichtigheid.[4]
Deze
afweging wordt gekleurd door het gewicht dat aan het vrijheidsbelang en het
beschermingsbelang wordt toegekend. Dit gewicht wordt voornamelijk bepaald door
rechtspolitieke voorkeuren en vertoont in de loop der tijd fluctuaties. Zo
heeft het economisch liberalisme dat rondom 1900 een stempel drukte op het
aansprakelijkheidsrecht[5] plaatsgemaakt voor een meer evenwichtige benadering,
waarin de bescherming van persoon en goed een sterke positie heeft verworven.
De maatschappij waarin het lot geduldig werd gedragen is veranderd in een
maatschappij waarin veiligheid en zekerheid voorop zijn komen te staan. De
bescherming van leven, gezondheid, inkomen, vermogen, eigendom en milieu en
het beschikken over (juiste) informatie zijn maatschappelijke en individuele
kwaliteitskenmerken geworden. Aldus werd duidelijk dat vrijheid van handelen
slechts kan worden gezien in het licht van de verantwoordelijkheid jegens de
belangen van anderen.
In
het aansprakelijkheidsrecht geldt daarom het beginsel, dat ieder jegens anderen
verantwoordelijk is voor zijn eigen gedragingen en voor gedragingen van personen
en zaken tot wie hij in een speciale relatie staat (nr. 1101).[6] Op dit beginsel
rust de internationaal geaccepteerde regel dat ieder zich ten opzichte van de
ander ten minste zorgvuldig dient te gedragen (nr. 604).[7]
Aan
deze zorgvuldigheidsregel is iedere natuurlijke persoon en rechtspersoon gebonden.
Geen enkel rechtssubject, met uitzondering van kinderen en personen met een
geestelijke tekortkoming, kan zich aan die verantwoordelijkheid onttrekken.
Dit betekent, dat ieder in beginsel (voor de rechter) ter verantwoording kan
worden geroepen voor de gevolgen van zijn doen of nalaten, c.q. dat ieder het
recht heeft om daarvan (voor de rechter) verantwoording af te leggen.
In
dit verband is een beslissing van de Franse constitutionele rechter uit 1982
van belang, die inhoudt dat het in strijd is met de grondwet van 1789 om
natuurlijke personen of rechtspersonen immuun te maken voor
foutaansprakelijkheid (nr. 202). Uit een uitspraak van het Europese Hof voor
de Rechten van de Mens uit 1998 kan worden opgemaakt, dat immuniteit voor
aansprakelijkheid in strijd kan zijn met art. 6 EVRM (nr. 608). Met andere woorden: een ieder heeft
recht op zorgvuldig gedrag van anderen. Omgekeerd geldt, dat het betrachten
van zorgvuldigheid jegens anderen een mensenplicht is. In veel gevallen, met
name bij grotere risico's, wordt bijzondere zorg verlangd of gelden er vormen
van risico-aansprakelijkheid (nr. 002).
1. Larenz-Canaris, Lehrbuch des
Schuldrechts II-2 (1994), § 75 I 1, p. 350.
2. Asquith L.J. in Daborn v. Bath
Tramways Motor Co. Ltd. (1946) 2 All ER 333, 336. Zie ook Winfield and Jolowicz
on Tort (1984), p. 101; Münchener Kommentar-Hanau (1994), § 276 N 96; Prosser
and Keeton on the Law of Torts (1984), p. 170-171.
3. Mazeaud-Tunc, Traité de la
responsabilité civile (1965), nr 417. Zie ook Kötz, Deliktsrecht (1998), N 102; Cornelis, Beginselen van
het Belgische buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht (1989), nr 6; Asser-Scholten,
Algemeen deel (1974), p. 129-130; J. Eggens, Iets over de verhouding van wet
en recht, WPNR 4705 (1962), p. 13-14.
4. Aubry et Rau, Droit civil (1989), nr
1. Zie ook D.J. Veegens, noot onder
HR 9 december 1960 (Jaguar I), NJ 1963, 1.
5. Van Maanen, Onrechtmatige daad (1986), p. 121-154.
6. Schut, Rechtelijke verantwoordelijkheid en wettelijke
aansprakelijkheid (1963); Kaptein, Solidariteit door individualisering van
aansprakelijkheid (1998), p. 84.
7. Zie ook HR 31 januari 1919 (Lindenbaum/Cohen), NJ 1919, 161, nt.
EMM en HR 15 november 1957 (Baris/Riezenkamp), NJ 1958, 67, nt. LEHR.