COLUMN
Uitrit
Het
was nacht en ik wandelde over de Leidsestraatweg in Den Haag. Ik was op weg
naar Huis ten Bosch. Toen ik bij de paleispoort aankwam, stonden daar twee
bewakers. Een mannelijke en een vrouwelijke bewaker. Ze waren beiden
uitzonderlijk fraai geüniformeerd.
‘Goedenacht,’
fluisterde één van hen, een blozende blonde jongeman, die steeds de neiging
moest bedwingen om zijn vrouwelijke collega liefdevol aan te raken.
‘Goedenacht’,
zei ik zacht. ‘Mag ik u wat vragen?’
Na
een bevestigend knikje fluisterde ik: ‘Wat doet u hier de hele nacht?’
‘Wij
houden toezicht’, zei de vrouwelijke geuniformeerde en zij glimlachte haar
bijna koninklijke glimlach.
‘Waarop
houdt u dan toezicht?’, wilde ik weten.
‘Tja,
daar hadden we het net met elkaar over,’ antwoordde ze met een warme blik naar
haar collega. ‘Sommige mensen zeggen dat we toezicht houden op een uitrit. Maar
volgens het Openbaar Ministerie houden we toezicht op een T-splitsing.’
‘En
wat denkt u zelf?’ vroeg ik hoopvol.
‘We
vinden het moeilijk,’ zei de blonde jongeman, terwijl hij de hand van de
vrouwelijke bewaker zocht. ‘Maar naarmate we er samen langer over praten, raken
we er steeds meer van overtuigd dat het toch echt een T-splitsing is.’
De
vrouw glimlachte eerst de jongeman en daarna mij allerinnemendst toe. Toen
vroeg ze: ‘En wat vindt u? U bent per slot van rekening professor in het
verkeersrecht.’
‘Ach
ja’, zei ik. ‘Dat is waar. Ik weet alleen niet precies hoeveel waarde u toekent
aan hooggeleerde opinies.’
Ik
keek naar de poort en vervolgens naar de weg. Toen zei ik. ‘Nou ja, als u het
echt wilt weten: houd u het er maar op dat ik de opvatting van het Openbaar
Ministerie beschouw als een mening. Er zijn ook andere meningen.’
De
vrouw keek me zwijgend aan. Ze trok teleurgesteld met haar onderlip. Toen
draaide ze zich om en liep weg in de richting van het paleis. Haar collega
volgde haar op haar schreden. Ik bleef alleen achter op de schaars verlichte
uitrit.