AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

COLUMN

 

Hemeltje lief 

 

Schiphol, zondagmiddag 8 april 2001, half zes.

 

Plotseling wordt het ongebruikelijk druk in de wachtruimte voor Aan­komst­hal 1. De reden wordt snel duidelijk: nog geen honderd meter verder blijkt Schiphol Plaza donker­grijs van de rook te staan. Brand!

 

Toch is er geen sprake van paniek. Eerder heerst er een gelaten stemming. Fik hoort er dit jaar bij op Schiphol; in januari was het ook al raak. Ze hebben ervaring met ontruimingen. 't Zal wel goed gaan. Ook met deze 'grote brand'. De winkeliers sturen hun klanten naar buiten en sluiten snel en efficiënt hun deuren.

 

Intussen is goed te zien dat het Neckermannsei­zoen is begonnen. Ouders, kin­deren, opa's en oma's lopen achter hun bagagekarren vol koffers naar de uitgang. Maar naar welke uitgang? Uiteindelijk loopt iedereen elkaar achterna naar Aankomsthal 1 waar een brede rivier van mensen en bagage langs de gesloten winkels stroomt.

 

Plotseling komt de stroom tot stilstand. Honderden mensen drommen samen voor wat de enige uitgang blijkt te zijn: een draaideur met een vei­ligheids­mecha­nisme. De deur stopt met draaien zodra hij te dicht bij een mens of een voorwerp komt. En omdat steeds meer mensen met hun bagagekarren mee willen, staat de deur meer stil dan dat hij draait. De menigte groeit snel aan. Mensen kijken om: komt de rook onze kant uit? En waarom schiet het daar vooraan niet op?

 

Na tien minuten verschijnen twee leden van de mare­chaussee. Hun komst blijkt op toeval te berusten. Ze kijken veront­schuldigend alsof ze er niks aan kunnen doen dat ze er zijn. En ze weten niet wat ze moeten doen. Of toch wel? De mannen dringen zich naar vo­ren tussen de mensen en de koffers en lopen door de tergend langzaam draaiende deur naar buiten. Daar blijven ze staan. Ze weten niet hoe de deur moet wor­den los­gezet. Het is duidelijk dat ze geen instructies hebben. En nu staan ze buiten, op een plek waar hulp niet meer mogelijk en niet meer nodig is.

 

Intussen hangen de eerste trillingen van naderende paniek in de lucht. Ouders kijken bezorgd naar hun kinderen. In geen velden of wegen is een beveiligingsbeamb­te te beken­nen. Nie­mand om de deuren open te zetten of de mensen naar buiten te begelei­den. Zeker allemaal naar de fik kijken, schampert iemand. Het gevoel dat het zo maar mis kan gaan wordt sterker: een tweede explo­sie of gewoon ongegronde en blinde paniek van men­sen die naar buiten willen. Gaat dit wel goed?

 

Na enige tijd stuurt iemand de mare­chaussees terug naar binnen. Hij vraagt ze te zorgen dat er niet te veel mensen tegelijk naar buiten gaan. Dan blijft de deur ten ­minste draaien en kunnen de mensen uiteindelijk sneller naar buiten. De marechaus­sees volgen dit advies meteen op. Klaarblijke­lijk zijn ze opgelucht dat iemand ten minste een idee heeft. Nee, instructies hadden ze niet.

 

Op dat moment wandelt buiten op het plein voor Schiphol Plaza doelloos een beveiligingsbeambte rond. Hij kijkt met belangstelling omhoog naar de rook die uit het dak omhoog schiet. Plotseling spreekt iemand hem aan, die hem met klem vraagt om de draai­deur te gaan ontgrendelen. Hulpvaardig als hij is, wil hij dat zeker wel even gaan doen en hij zet het onmiddel­lijk op een lopen in de juiste richting. Een minuut later is de draaideur ontgrendeld en kunnen vele hon­derden bezoe­kers na ruim een kwartier wachten naar buiten.

 

Op één van Europa’s grootste luchthavens blijkt het niet mogelijk om op zondagmiddag 8 april 2001 een paar simpele en elementaire veiligheidsmaatregelen te treffen.

 

‘Ach’, zullen ze op Schiphol zeggen, ‘Hemeltje lief, wat zeur je nou? Het is toch allemaal goed afgelopen?’

 

 

Home