AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

COLUMN

 

Er moet meer worden geclaimd in Nederland!

 

Is er in Nederland sprake van een claimcultuur? De Minister van Justitie schreef er een brief over aan de Tweede Kamer en beantwoordde vragen van Kamerleden (Kamerstukken II, 26 630, nr 1-2). Deze ge­dachtenwisse­ling had een enigszins ratio-overschrijdend karakter, zodat een kleine cate­chismus van de claimcultuur nu op zijn plaats is.

 

1. Wanneer is er sprake van een claimcultuur?

De minister schrijft: 'Met zekere regelmaat is de laatste jaren de stelling hoorbaar dat in ons land sprake is van een toenemende "claimcultuur". Daarmee wordt dan gedoeld op een toename van het aantal - men spreekt elkaar veelvuldiger voor schadevergoeding aan - en de omvang - het gaat om steeds hogere bedragen - van schadeclaims.' (p. 1).

 

Dit is een opmerkelijke definitie van het begrip claimcultuur. Stel je voor: de Minister van Landbouw constateert morgen dat de binnenlandse verkoop van spruitjes in de lift zit (qua aantal en qua omvang) en hij schrijft vervolgens een brief aan de Tweede Kamer dat hij zich deswege zorgen maakt over de Nederlandse spruitjescultuur.

 

De definitie van claimcultuur van de minister is ondeugdelijk: hij sug­gereert dat stijging van claims op zichzelf problematisch is. Maar dat is net zo vreemd als de groei van de economie op zichzelf als een probleem te zien. Kijk je niet naar de functie van het aansprakelijkheidsrecht, dan heb je ook geen middel om de stijging van claims te beoordelen (zie ook Faure en Hartlief, A&V 1999, p. 82).

 

2. Wat is dan de functie van het aansprakelijkheidsrecht?

Daar vraagt u wat. Binnen het kader van de Haagse vissenkom is het be­langrijk om te weten dat de functie van het aansprakelijkheidsrecht recht­streeks samenhangt met economisch-politieke keuzes die de laatste jaren zijn gemaakt.

 

(a) De stokpaardjes van de paars-economische politiek zijn privatise­ring en de operatie Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit (www.minez.nl/mdw). Het doel daarvan is om de regelgeving te verminde­ren en te verbeteren en om de vrije markt te bevorderen.

 

Meer vrije markt betekent een terugtred van het publiekrecht. Maar wie bekommert zich om de kwaliteit en de veiligheid van die vrijere markt als de overheid dat niet (of minder) doet, als winstmaximalisatie en shareholder-value de dienst uitmaken? Een ruimere controle via het privaatrecht (aansprakelijkheidsrecht) door concurrenten en slachtoffers is dan onver­mijdelijk (Hellingman en Mortelmans, Economisch publiekrecht, p. 31-32). De minister miskent deze cruciale samenhang tussen economische politiek en aansprakelijkheid vrijwel geheel.

 

(b) Bezuinigingen op de sociale zekerheid veroorzaken extra druk op het aansprakelijkheidsrecht. Het ligt immers voor hand dat wie zijn schade niet via een eigen verzekering of voorziening gedekt weet, eerder een be­roep zal doen op het aansprakelijkheidsrecht (nr 1, p. 2-3).

 

Een overheid die stuurt, ordent en zorgt, dempt de druk op het aan­sprakelijkheidsrecht. Maar een overheid die de markt meer ruimte geeft, geeft ook het aansprakelijkheidsrecht meer ruimte. Het is dus de overheid zelf die de voorwaarden voor een claimcultuur bevordert.

 

3. Is de minister bezorgd over de ontwikkelingen in het aansprakelijkheids­recht?

Nee, helemaal niet. De minister is dik tevreden met de huidige stand van zaken in het aansprakelijkheidsrecht: de wet is prima, de rechter doet het goed, lichtvaardige claims worden niet gehonoreerd, problemen van onver­zekerbaarheid zijn er nauwelijks en van uitwassen is geen sprake. Sterker: de minister overweegt zelfs een uitbreiding door een recht op vergoeding van affectieschade te creëren (nr 2, p. 6-7). Hulde daarvoor want dat laat­ste is een mogelijkheid waar door velen al lang en met smart op wordt ge­wacht (Van Dam, Emotioneel belang en affectieschade, VR 2000, p. 75).

 

4. Waar maakt de minister zich dan druk over?

De minister maakt zich druk over de toekomst. Hij is het meest bevreesd voor het lijden dat hij vreest. De minister waarschuwt ons voor de hel en verdoemenis van de Amerikaanse toestanden. Zonder enige nadere analyse doet hij als een echte boeteprediker ‘no cure, no pay’ en ‘punitive damages’ in de ban. Als we ons in Nederland van die zonden nu maar verre houden, aldus de minister, zal het ons voorzeker wel gaan.

 

Dit is een beetje kortzichtig. Er is onvoldoende grond om aan te ne­men dat ‘punitive damages’ en ‘no cure, no pay’ de oorzaak zijn van de crisis in het Amerikaanse aansprakelijkheidsrecht. Het zijn veeleer de door de juries toegekende hoge schadevergoedingsbedragen die voor problemen zorgen (zie ook Faure en Hartlief, A&V 1999, p. 81).

 

We moeten het kind niet met het badwater weggooien. Zowel ‘puniti­ve damages’ als ‘no cure, no pay’ kunnen, mits gedoseerd toegepast, nuttig zijn. Ze zijn niet voor niets ontwikkeld in een land waar de overheid economisch niet stuurt, nauwelijks ordent en nauwelijks zorgt. Als wij in Europa ook die richting op gaan (en dat gaan we), kunnen die instrumenten in het aansprakelijkheidsrecht juist hard nodig zijn.

 

5. Is er in de brief over claimcultuur een passage te vinden die zowel schaamteloos, misleidend als hypocriet is?

Ja, deze: 'Moeilijker te wegen, maar daarom niet minder belangrijk is dat door een oprukkende claimcultuur de calculatie van financieel gewin zich verder verspreidt en wint aan acceptatie. De omgang tussen burgers komt dan sterker in dit teken te staan en kan leiden tot een versnelde afbraak van de sociale cohesie' (nr 1, p. 6).

 

Het is schaamteloos om het claimen van schadevergoeding in algeme­ne zin in verband te brengen met de calculatie van financieel gewin. En de stelling dat claimgedrag de afbraak van sociale cohesie bevor­dert is mislei­dend. De sociale cohesie wordt juist bedreigd door oneer­lijk, egoïstisch en onveilig gedrag dat anderen schade berokkent. Daar begint het mee. Een aansprakelijkheidsclaim is daarop niet meer dan een trage en onvolkomen reactie.

 

De geciteerde passage schuimt bovendien van de hypocrisie, omdat de overheid zelf voorop loopt bij het calculerend gebruik van het aanspra­kelijkheidsrecht. Zo was er in de eerste helft van de jaren negentig de soap van de verhaalsacties voor gemaakte saneringskosten. De Staat schrok er toen zelfs niet voor terug om wetgeving in eigen belang te bevorderen. In de jaren negentig werden onder druk van de overheid verhaalsrechten in de volksverzekeringen geïntroduceerd (Van Dam, Politieke infiltratie in het privaatrecht, 1994, p. 16-17). En onlangs kondigde de Minister van Volks­gezondheid aan dat zij overweegt de tabaksfabrikanten aansprakelijk te stellen voor de door roken veroorzaakte kosten in de gezondheidszorg (Trouw, 18 december 1999).

 

Op zichzelf is er met deze ontwikkelingen weinig mis. Maar wat is dat voor een overheid, die zelf het claimen niet kan laten en tegelijk claimende burgers en bedrijven afschildert als onfatsoenlijke calculeerders die de soci­ale cohesie bedreigen? Zulke opmerkingen uit de mond van een Minister van Justitie vormen pas een echte bedreiging, omdat zij de overheid en de politiek ongeloofwaardig maken.

 

6. Wat gaat de minister nu doen?

De minister gaat geld verspillen. Hij entameert een van de meest zinloze onderzoeken die de laatste jaren door het Ministerie van Justitie zijn be­dacht: via steekproeven zal bij een aantal gerechten informatie worden ver­zameld over aantal en hoogte van de aansprakelijkheidsclaims. Geraamde aanloopkosten: ¦ 150.000. Wat kan zo'n onderzoek opleveren?

 

Stel dat wordt ontdekt dat het aantal claims inderdaad toeneemt. Is dat dan erg? Nee, gezien het economische beleid van de overheid kan dat juist wenselijk zijn (zie vraag 2). Een stijging kan ook worden veroorzaakt doordat claims die voorheen ten onrechte achterwege bleven nu wel wor­den ingesteld. Er is dan sprake van een inhaaleffect. En ook daar is niets mis mee.

 

Stel dat wordt ontdekt dat het aantal claims niet toeneemt. Dat zou verontrustend zijn. Gezien de ongevallencijfers is de samenleving de laatste jaren nauwelijks veiliger geworden, de sociale verzekeringsdekking is afge­nomen, terwijl de waarde van bezittingen en de omvang van de inkomens sterk zijn gestegen. Een kind kan uitrekenen dat dat per definitie tot meer en hogere claims moet leiden.

 

Als er dan toch geld voor onderzoek wordt uitgegeven, is het verstan­diger om uit te zoeken in hoeveel gevallen waarin geclaimd kan worden ook daadwerkelijk wordt geclaimd. Hoogst waarschijnlijk zal dit onderzoek uitwijzen dat er, ondanks alle veranderingen op het gebied van het aan­sprakelijkheidsrecht, juist te weinig wordt geclaimd. Nog steeds is het aan­sprakelijkheidsrecht voor velen onbekend terrein, velen kennen hun rechten niet of weten niet weten hoe ze die moeten effectueren, velen durven een claim tegen hun werkgever of tegen hun arts nog steeds niet aan, velen vinden een claim te ingewikkeld en velen vinden het effectueren ervan te lang duren of te kostbaar. Kortom: de Minister van Justitie zou er juist een eer in moeten stellen om te bevorderen dat er meer wordt geclaimd in Ne­derland.

 

 

Home